De legende van de gouden beer

De armoede in de Jordaan in Amsterdam was, in de jaren waarin de ontheemde kinderen Wilhelmus en Katrijn er door de straten zwierven, minstens zo diep en schrijnend als die in de veengebieden van Drenthe en De Peel in die tijd. In Amsterdam was de ellende zelfs veel grootschaliger. Nadat er foto’s en verhalen over de plaggenhutten in Drenthe in de media waren verschenen kwamen er vanuit het Westen hulpacties op gang waarbij de verpauperde bewoners van Drentse plaggenhutten kleding en voedsel kregen. En dat was goed!

Maar het keiharde feit dat de verpaupering van grote groepen mensen in de Randstad al vele jaren achtereen minstens zo ernstig (en zo niet nog veel ernstiger) was kreeg nauwelijks aandacht. Sterker nog; in populaire speelfilms als De Jantjes en Bleke Bet werd (in 1934) het leven in de bekende Amsterdamse volkswijk veel rooskleuriger voorgesteld dan het voor de meeste mensen in de eerste helft van de vorige eeuw ooit was geweest.

De werkelijke armoede kwam in deze kaskrakers niet in beeld. In het hele land zaten de bioscopen vol en werden de liedjes uit de films uit volle borst meegezongen. En zo werd het gruwelijke spook van de armoede in het Westen omgetoverd in een gezellig Amsterdams volks-spookje en bleef datzelfde spook in ongenuanceerde gedaante de beeldvorming van en over Drenthe bepalen.

Maar de realiteit was toch echt wel even anders! Laat ik het boek: ’Amsterdamsch epos - De Jordaan’ van schrijver-journalist Israël Querido er maar eens even bij pakken. Hij publiceerde dit maatschappij-kritische boek in 1912. Querido had enkele jaren undercover in de Jordaan gewoond. Hij huurde er regelmatig een kelder of een opkamertje in een steegje zodat hij het leven van de straatarme bevolking van binnenuit kon meebeleven. Hij kleedde zich in lompen en deed zich voor als een arme sloeber. Zo viel hij er niet uit de toon en kon hij, zonder op te vallen, zijn journalistiek-observerende werk doen.

Hij schrijft: ‘Neem een heele maand December voor u, en doorzwerf door de Tuinstraat, met al haar dwarsstraatjes, de Anjelierstraat, de Egelantierstraat, kortom al de wijken en wijkjes van de Jordaan. Er staat een gierende wind of een bulderende storm of er valt een kletterende regen. Alles huilt mee. De buurt, de huizen, de kelders, de goten staan te rotten voor uw oogen. Het is er van een beangstigende, keel-dicht-knijpende beklemming. De trapjes, de stoepjes, de kelders in schemering en avond bij vaal licht,- ze zijn als de duistere ellende -holen, waaruit gedierten opkruipen. De menschen erin, zij hebben geen blik, geen gang, geen gelaat.



Ervaringsdeskundige Neel Doff beschrijft in haar autobiografische roman ‘Dagen van honger en ellende’, die in 1915 verscheen, de mensonterende omstandigheden waaronder zij zelf als kind moest leven in een gezin met negen kinderen.

 ‘In een vochtig, vettig slop in Amsterdam bewoonden wij met zijn allen één vertrek. Het was een kamer waarin de zon nooit doordrong; ‘s winters was het een grot vol nattigheid en kou en ‘s zomers werden we ziek van de klamme hitte. Er was niets dan een bedstee die een eind van de grond af stond, net als een vissersschuit, en die in een boven- en onderhelft verdeeld was, zodat je als in een kast met planken lag. Vader en moeder sliepen beneden, een paar kinderen boven, de anderen op de grond waar ‘s avonds een strozak op gelegd werd. In één hoek een ton die het gezin tot plee diende, in de andere vuile luiers en verder alle rommel die je in zo’n onderkomen en huishouden kon verwachten’.

Als haar vader werkloos wordt ontstaat er een huurachterstand. ‘Het was hartje winter en we hadden sinds vier weken de huur niet meer kunnen betalen. Dat betekende dat we uit de ene kamer gegooid zouden worden, die we voor een gulden per week bewoonden in een miserabel slop in Amsterdam. (..) En ja, daar kwamen drie mannen, een deurwaarder met twee helpers. Zij begonnen ons rommeltje de straat op te dragen. (..) Toen onze kamer leeg was, deed de deurwaarder hem op slot. En daar zaten we toen, zonder woning, midden in de winter, met negen kinderen, waarvan één nog aan de borst’.



Het succesverhaal van generaal Johannes van den Bosch (de aantrekkelijke jongeman hier boven) is alom bekend. Hij nam al in 1818 het initiatief om in Drenthe verschillende kolonies te stichten waarin verpauperde gezinnen, veelal woonachtig in het Westen, een leefbaar bestaan zouden kunnen opbouwen. Onder de vleugels van zijn Maatschappij van Weldadigheid werden er op de uitgestrekte velden in de omgeving van het oude Drentse brinkdorp Vledder nieuwe dorpen als Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord gesticht.  Straatarme gezinnen uit het Westen mochten er gaan wonen in een huisje met daarbij een stukje grond waarop zij aardappels en groente konden verbouwen. De mensen kwamen er vrijwillig en zij mochten terug naar het Westen als zij dat wilden.

Sommige stadsmensen knapten al snel af op de stilte van het platteland en ook op de strenge regelgeving waaraan zij zich in de kolonies moesten onderwerpen. Zij keerden liever terug naar de uitzichtloze armoede van de grote stad waarin zij zich ondanks alle ellende vrije mensen voelden dan dat zij zich (voor hun gevoel) in een arbeidershuisje in Drenthe moesten laten knechten. De meerderheid van de uitverkoren paupers bleef echter graag in Drenthe wonen en kreeg er onderdak, voedsel, werk, gezondheidszorg en scholing.

Tot op de dag van vandaag spreken nazaten van deze economische vluchtelingen uit het Westen, die nog steeds in het gebied van de Maatschappij van Weldadigheid wonen, geen Drents maar is aan hun uitspraak van het Nederlands te horen dat zij in diepste wezen nog altijd ‘westerlingen’ zijn.  

Het spook van de armoede bepaalde nog heel lang het beeld dat men in het Westen had van Drenthe, hoewel deze provincie in de praktijk een heilzaam toevluchtsoord was voor vele economische vluchtelingen uit de Randstad. En in de algemene beeldvorming werd gemakshalve vergeten dat Drenthe al eeuwenlang een redelijk-welvarend en overzichtelijk woon- en leefgebied voor vele agrarische geslachten van boeren en arbeiders was geweest. Hetgeen ook gold voor de bewoners van versterkte burchten, schansen en havezaten. Die werden in de beeldvorming via de media maar mooi even weggelaten.

En vergeet ook de bisschoppelijke kloosters en kerken niet. En steden als Coevorden en Meppel, die eeuwenlang van belang waren op het gebied van handel en scheepvaart en van militaire macht. En het dorp Gasselternijveen dat in  1913 de vierde zeehavenstad van Nederland was na Rotterdam, Groningen en Amsterdam. Schippers uit Gasselternijveen voeren op Engeland, Letland en Litouwen en sommigen van hen deden ook wel havensteden in Rusland aan.

De perioden in de geschiedenis waarin het echt slecht ging in Drenthe waren altijd rechtstreeks gekoppeld aan oorlogen en volksverhuizingen die in heel Europa tot rampspoed leidden. Maar ook in die perioden was Drenthe niet de beroerdste regio om in te werken en te wonen. Wilhelmus en Katrijn waren er in ieder geval zeer gelukkig, zoals je in mijn boek kunt lezen. En dan overdrijf ik niet!


Berendientje van Dalen


Verzwegen armoede  in hartje Amsterdam

 Israël Querido

 Neel Doff

armoede-in-amsterdam