De legende van de gouden beer

Omdat het uiteindelijk drie weken duurde voordat de scheepsmotor gerepareerd was kregen Aoltien en Jan de kans om nader kennis met elkaar te maken. De bijeenkomst in Kampen was aan de neus van de ouderlijke Dijkema’s voorbijgegaan en de volgende bijeenkomst liet nog wel even op zich wachten. En ja hoor, het klikte tussen Aoltien en Jan. Zij kusten elkaar op een zaterdagavond voor het eerst voorzichtig, terwijl zij elkaar onhandig omarmden achter een bosje aan de rand van de vaart, toen mijn toekomstige opa’s en oma’s bij elkaar op visite waren. Aoltien trilde een beetje en Jan probeerde zich te beheersen. De toekomstbeelden die zij beiden op dat moment in hun hoofd hadden verschilden op enkele belangrijke punten van elkaar. Aaltje Johanna zag alvast hoe zij een trouwjurk aantrok en hoe zij haar bruidsboeket zou dragen. Er ging een golf van liefdevolle onschuld en van een bijna kinderlijk verlangen door haar lichaam en zij transpireerde van blijdschap. Jan rook dat meteen en hij merkte dat zijn neusvleugels er door in beweging werden gebracht. Zijn voorstellingsvermogen projecteerde een beeld van Aoltien op zijn netvlies waarin er geen plaats was voor een trouwjurk of voor welke andere jurk dan ook. Mannen en vrouwen verschillen nu eenmaal van elkaar en het ene romantische gevoel is het andere niet.

Omdat Aoltien voelde dat zij de sterke handen van Jan niet kon besturen duwde zij hem in zijn geheel van zich af. Zij giechelde en huilde tegelijk. Jan kwam daardoor even tot inkeer. Hij begreep haar niet en dacht dat hij haar misschien pijn had gedaan. En daarom ging hij voor haar op de knieën. Hij had de zoete geur van honing geroken. Er was voor hem geen terugweg meer. Jan wilde het verborgen korfje kussen en hij begon alvast bij de linker teen van Aoltie’s rechter voet. Die zat nog veilig in een klompje maar Jan trok de houten barrière, geelgekleurd met een blauw bloempje er op, voorzichtig van haar voet. Toen hij het eerste kusje plaatste zei Aoltien glimlachend dat het lekker kriebelde. Maar toen hij, al kussend, in de nabije omgeving van haar knieën was aangekomen duwde zij hem met een resoluut gebaar van zich af en vluchtte zij met de uitgetrokken klomp in haar hand naar het schip.  

De volgende dag probeerde zij een afstandelijke houding aan te nemen. Jan begreep ook hier niets van. Zij probeerde een nuffig gezicht op te zetten. Zoals zij dat ook bij Tiemen had gedaan. Maar dat lukte niet echt, want dit was een andere situatie en ook een totaal andere man. Deze handige sjoelbakmonteur was letterlijk voor haar op de knieën gegaan en hij had, beginnend bij een simpel teentje, haar gehele blote en tevens eelt houdende rechter zweetvoetje gekust. Zij had zich er voor geschaamd. Want zij waste haar voeten niet dagelijks. Maar hij had gefluisterd dat haar schattige teentjes naar karnemelk roken en dat hij haar zandkleurige eeltknobbeltjes bijzonder aantrekkelijk vond.

Zij twijfelde aan zijn ogenschijnlijk goede bedoelingen. Kon zij deze jolige snuiter wel vertrouwen? En zou de Hemelse Vader dat gedoe in de berm van gisteravond  wel goedkeuren? Neen. Dat zou Hij zeker en ook zeer beslist niet. Haar angstige geest koppelde Sodom en Gomorra aan de Smilde.  Zij wilde het liefst heel ver weg varen. Maar de motor was nog stuk.

Meteen nadat de motor gerepareerd was vroeg Jan de ouders van Aoltien of hij met het gezin mee mocht varen. Als leerling schippersknecht. Het maakte hem niet uit voor hoelang en waar naar toe. Hij hoefde er absoluut geen geld voor te hebben. Kost en inwoning. Dat was voor hem al meer dan genoeg. Hij zou zijn baan in Assen opzeggen. Nee, dat was niet erg. Dat had hij er graag voor over. Maar mijn toekomstige grootouders zagen dit alles niet zitten.

Zij wisten nog niet dat hun dochter in de afgelopen weken een beetje verliefd was geworden op Jan. Maar zij hadden wel al het sterke vermoeden dat Jan een oogje op hun Aoltien had. Dat was aan zijn gedrag goed te zien. En dat zinde hen in het geheel niet. Aoltien moest en zou met Tiemen trouwen. Zo hadden zij het beslist en zo moest het gaan.

Ze waren echter (gelukkig voor mij, want anders had ik dit boek nooit kunnen schrijven) zo naïef dat zij de laatste avond voordat zij verder zouden varen nog even ten afscheid op visite gingen bij Jan’s ouders. Zij brachten een flesje bessenwijn mee. Het mocht wel even gezellig worden.

Mijn toekomstige vader greep zijn laatste kans. Hij deed dat, op een ietwat morsige paardendeken die hij zorgvuldig in het midden van het maisveld van de buren had uitgespreid. Met de intentie om er samen met Aoltie op te gaan liggen. Kusje hier en kusje daar. Men weet wel hoe dat gaat.

Mijn lieve moeder vertelde mij vele jaren later, in een periode waarin zij haar eenzame  jeugd in Delfzijl en zo meer probeerde te verwerken, dat zij er door Jan min of meer ingeluisd was. Hij had haar op de weg langs de vaart in het oor gefluisterd dat hij in Assen en Smilde en zelfs ook in Appelscha en Oosterwolde nooit eerder zo’n mooi meisje als zij had gezien. En dat hij heel graag met haar wilde trouwen. Zij had zich gevleid en vereerd gevoeld. En daarom was zij samen met hem het maisveld in gelopen. Niet wetende dat er aldaar een groezelig bedje voor haar in gereedheid was gebracht.

Zij zag de paardendeken en voelde nattigheid. Maar ze was er toch maar op gaan zitten. Wegrennen had geen zin. Dat zou kinderachtig zijn. En daarom had zij Jan maar gewoon zo’n beetje zijn gang laten gaan. Zij gaf zich over aan de inspanningsdrift van haar belager terwijl zij zelf onhoorbaar het Onze Vader bad waarbij zij de tekst af en toe even kwijt raakte maar waarin zij desondanks wanhopig reciterend om vergeving van al haar zonden smeekte. Nu en in het uur van onze dood. Het amen ging verloren in een door Jan geslaakte oerkreet die haar trommelvliesjes beukte en die haar deed beseffen dat er nu voor haar geen redding meer mogelijk was.

Zij had nu werkelijk zwaar gezondigd. En zij oogstte meteen wat zij verdiende. Lichamelijke pijn en een zeer diep schuldgevoel. Die nacht overwoog zij heel serieus om overboord te springen. Maar ze kon er niet toe komen. Zij wist dat zij goed kon zwemmen en dat de Drentse Hoofdvaart niet diep genoeg voor een verlossende duik naar de onpeilbare eeuwigheid. Spontaan verdrinken zat er voor haar helaas niet in.

Ze dacht aan Tiemen die haar waarschijnlijk met geen vinger zou hebben aangeraakt en zeker niet op het tere vruchtperceeltje dat door Jan meteen volledig was omgeploegd en ingezaaid. Tiemen zou zeker hebben gewacht totdat het huwelijk tussen hen in gemeentehuis en kerk zou zijn voltrokken en ingezegend. Zij zag zijn uitdrukkingsloze gezicht voor zich dat langzaam vervaagde en overging in de met tomeloze energie geladen beeltenis van Jan.

Ze begreep opeens dat zij van twee kwaden zeer waarschijnlijk de minst kwade had gekozen. Het was dus een verstandige keuze geweest om met Jan in zee te gaan. De blijdschap die zij in zich voelde opkomen was echter van korte duur. Zij hoopte toch maar dat het met een sisser zou aflopen. Misschien was haar maandelijkse eitje net op tijd de dans ontsprongen. Zoiets kan. Zo’n eitje is niet dom. Als dat waar was dan zou zij Jan vast heel snel vergeten. En dan zou Tiemen haar ooit mogen omarmen. Als zij elkaar wat beter hadden leren kennen. Wie weet. Misschien waren zij wel voor elkander geschapen.

 Zij werd helaas niet echt warm of gelukkig van deze gedachte en lag die nacht koortsig dromend en wanhopig woelend in haar klam geworden bed. Gelukkig hoefde zij Jan de volgende morgen niet onder ogen te komen. Terwijl ze nog in bed lag hoorde zij hoe haar vader de motor startte. Het was een vertrouwd geluid. En door het raampje zag zij hoe het schip zich losmaakte van de wal.      


Nadat de familie Dijkema een paar weken had gevaren begon Aaltje Johanna er al een beetje rekening mee te houden dat zij binnen afzienbare tijd wel eens met zijn vieren aan boord zouden kunnen zijn. En na nog twee weken wist zij het zeker. Op een avond barstte zij in tranen uit en riep zij luidkeels dat zij een zondares was. Haar vader schrok en greep zich vast aan de Bijbel. Mijn oma reageerde gelaten. Zij liep al een tijdje rond met een bepaald vermoeden. Toen biechtte Aoltien haar misstap in het mais op. Ze vergat daarbij niet te vermelden dat Jan er mede schuldig aan was geweest want gedeelde schuld is halve schuld hoewel zij de verantwoordelijkheid daarmee niet volledig bij hem wilde leggen maar toch wel iets meer dan de helft misschien.  Zij had het zelf niet op deze manier bedacht en ook niet echt gewild.   

Haar ouders keken elkaar aan en zwegen. Dat konden zij heel goed. Dat was Aaltje Johanna wel van hen gewend. Als zij onderweg op het water soms ruzie kregen dan negeerden zij elkaar. Net zo lang totdat zij het doel van de reis hadden bereikt. Want dan moest het schip gelost of geladen worden. En dan hadden zij elkaar weer even nodig. De buitenwereld aanschouwde dan een voorbeeldig echtpaar. Soepel samenwerkend. En o zo vriendelijk tegen elkaar. Aaltje Johanna wist dan dat de lucht voorlopig weer geklaard was. Want zij hielden natuurlijk veel van elkaar. Ook al lieten zij dat maar zelden blijken. En zij haalden nooit oude koeien uit de sloot.

Deze keer zwegen zij niet haaks op elkaar.  Zij zwegen zeer eendrachtig en negeerden elkaar niet maar wel hun dochter. Zij had immers de kans van haar leven gemist. Tiemen zou nooit hun schoonzoon worden. En Jan van Dalen was in hun ogen een lichtgewicht christen die nooit zou begrijpen dat God niet gesteld is op toevallige passanten in een verkeerde kerk op zondag, die niet of nauwelijks naar Zijn wetten leven. Van Aoltien hadden zij deze misstap niet verwacht. Maar zij was natuurlijk door Jan in de val gelokt. Met mooie praatjes. Daar kon zij niets aan doen. Of toch wel. De Dijkema’s twijfelden. Maar voor vergeving was het nog veel te vroeg.

Aaltje Johanna voelde zich schuldiger dan ooit tevoren. Zij had haar ouders niet alleen teleurgesteld maar ook bedrogen. Het zou nooit meer goed komen tussen hen. Dat wist zij zeker. Maar zo erg was het gelukkig niet. Na een week van ijzige stilte aan boord drong het tot mijn toekomstige opa en oma door dat er haast geboden was. Er moest snel getrouwd worden om roddel en achterklap te voorkomen. Ongehuwde schippersdochters konden zich geen zwangerschap veroorloven. En haar ouders hadden geen behoefte aan een kindje aan boord. Zij hadden hun eigen dochtertje niet voor niets in Delfzijl geparkeerd.

Zij stuurden een telegram naar de familie van Dalen waarin zij aankondigden dat hun Aoltien zwanger was en dat een zekere Jan van Dalen daar waarschijnlijk meer van wist en dat zij haar daarom zeer binnenkort hoogstpersoonlijk bij hen zouden afleveren. Jan’s ouders  schrokken van het bericht. Zij zaten niet te wachten op een zwangere vrouw in hun huis die zorg een aandacht nodig had. Een schippersdochter nota bene, die het werk aan de wal niet kende.

 ‘Wat heb ie met dat wicht van Diekemao umhaans had’, vroeg opa op strenge toon aan Jan. Mijn vader zweeg. Hij was niet van plan om de door hem in het maisveld verrichte handelingen zomaar even expliciet te omschrijven. Eerlijk gezegd wist hij het ook niet meer precies. Het was gewoon gegaan zoals het gegaan was. ‘Och..’ mompelde hij. ‘Tja. Wat za’k der ies van zeggen’. Toen opa rood aanliep viel opoe haar zoon onverwacht bij. ‘Ik deink dat Jan het zolfde daon hef met Aoltien wat as ie ok daon hebt met mij doe wij nog maor net een week verkering hadden’.

Opa zocht naar een antwoord waarmee hij moeder en zoon schaakmat zou kunnen zetten. Maar dat vond hij niet. En zo geschiedde het dat Aaltje Johanna tegen betaling van een gulden per week kost, inwoning en bewassing kreeg in het huisje aan de Drentse Hoofdvaart. Jan was dolgelukkig. Hij had al een maatschappelijke positie veroverd als sjoelbakmonteur. En nu zou hij ook nog vader worden. Ik weet niet of Aaltje Johanna ook zo blij met haar nieuwe leventje was. Maar ik hoop het wel. Het jonge paar trouwde en huurde kort voor mijn geboorte het al bekende huisje in Anreep-Schieven waar zij vriendelijk verwelkomd werden door de familie Jansen.


Mijn opa van de Smilde kwam de dag na mijn geboorte op kraamvisite. Opoe was er al. Zij had de vroedvrouw geholpen. En zij had mijn vader, die tijdens de hele bevalling in het schuurtje had gezeten, van koffie en brood voorzien. Mannen hadden in die jaren niets te zoeken bij een bevalling. Jan ging met een gewichtig gezicht naar het gemeentehuis om aangifte van mijn geboorte te doen. Hij voelde zich voor het eerst werkelijk volwassen. En hij vroeg zijn werkgever nog de zelfde week om opslag. ‘Ik heb nou een gezin. En ik kan mij zo niet redden’. Na lang aandringen kreeg hij er een gulden per week bij. Dat zinde hem niet. Hij verdiende nu wel meer dan zijn ongetrouwde collega’s. Maar hij wilde meer. Het zat er niet in. Hij wist dat hij kon kiezen. Het aanbod accepteren. Of elders ander werk zoeken. Maar dat was er niet. Hij koos knarsetandend voor het eerste.   

Ook onze buren kwamen op kraamvisite. Zij brachten een hobbelpaardje voor mij en vier flessen zelfgemaakte pruimenwijn voor mijn moeder mee. Barteld mocht mij even vasthouden hoewel hij dat eigenlijk niet durfde. Hij was bang dat hij mij zou laten vallen.  Vanaf het moment waarop wij elkaar in de ogen keken was hij mijn allergrootste fan. Dat vertelde hij mij ooit. Hij had zich verbaasd over de zeer heldere blik in mijn oogjes. Ik was een grappige baby die leuke geluidjes maakte terwijl ik op warmhartige wijze mijn luier vol poepte in zijn armen.

Hij nam zich voor om mij ten allen tijd tegen alle denkbare gevaren te beschermen alsof ik zijn bloedeigen zusje was. Barteld werd een koene ridder en ik was een prinsesje. Maar natuurlijk rook ik al snel niet meer alleen naar talkpoeder en daarom overhandigde hij mij aan mijn oma. Terwijl zij mij op de tafel verschoonde zag Barteld voor het eerst in zijn leven hoe meisjes en jongens op een interessant vlakje van elkaar verschillen.

Hij begreep dat de geheimzinnige verhalen die sommige grotere jongens op straat over de interessante anatomie van meisjes vertelden op specifieke onderdelen klopten. Het simpele tekeningetje dat een van hen met krijt op een zijmuur van het gemeentehuis had getekend, voorzien van een drieletterig woordje dat een magisch klankje had wanneer je het op een ietwat geheimzinnig toontje uitsprak, kwam aardig overeen met hetgeen hij hier nu op de tafel aanschouwde.

Ik fungeerde voor hem op dat moment (met terugwerkende kracht denk ik nu dat het tegen mijn wil was) als aanschouwelijk lesmateriaal, in een tijd waarin seksuele voorlichting nog niet normaal was. Voor hem was het dus een zinvolle gebeurtenis en een verhelderende ervaring. Hij voelde zich stoer omdat hij nu als een ware ervaringsdeskundige met de grotere jongens kon meepraten als zij het weer eens hadden over belangrijke buitenschoolse onderwerpen en activiteiten betreffende de vrouwelijke anatomie en zo.              

Mijn varende grootouders kwamen pas veel later naar hun kleinkind kijken. Zij waren altijd onderweg en zij konden zich geen tripje met het openbaar vervoer naar Assen permitteren. Het werk ging altijd voor. Ik denk wel eens dat zij heel lang een beetje verdrietig of zelfs boos zijn geweest. Omdat zij hun dochter, als helpende hand aan boord, door mijn komst, voorgoed waren kwijtgeraakt. En misschien nog wel meer omdat zij de familie van Tiemen hadden moeten teleurstellen. Zij gingen nooit meer naar ontmoetingsdagen. Want zij schaamden zich voor het feit dat zij hun dochter niet voor haar misstap hadden kunnen behoeden. En ook omdat zij nu naar een andere kerk ging. Waarin zij slechts een lichte variant van het ware geloof zou vinden.

Maar het is niet eerlijk om zo te denken. Want als zij in mijn kinderjaren soms wel bij ons op visite kwamen dan waren zij erg lief voor mij. Ze lagen dan met hun schip vlak bij de Kolk in Assen. En dan liepen zij naar ons huis. Soms bleven zij een nachtje bij ons slapen.

Zij brachten altijd een cadeautje voor mij mee. Een popje, een beer of een prentenboek. En toen ik ouder werd kreeg ik van hen mijn eerste horloge. Mijn ouders werden ook altijd getrakteerd. Schoonzoon Jan kreeg zakdoeken en sokken. En dochter Aoltien kon altijd rekenen op een flesje Boldoot.

Ik weet nog goed dat wij met ons gezinnetje met hen mee wandelden naar De Kolk waar ze dan weer zogenaamd opgewekt aan boord gingen. Wij liepen meestal met de schuit mee tot aan de Witterbrug. Die ging speciaal voor hen omhoog. Daar was ik trots op. Voetgangers en fietsers moesten wachten op mijn opa en oma. En soms stond er zelfs een auto gedwongen stil voor de brug. Als het schip, in de richting van Kloosterveen, in de verte verdween werd ik altijd overvallen door een mengeling van heimwee en verdriet. En ook mijn moeder was niet blij.

Mijn vader had dan schijnbaar nergens last van. Meestal zei hij, met een stem waarin een zweempje van opluchting doorklonk: ‘Zo. Dat hebben wij ok weer had’. Mijn moeder pinkte op de terugweg wel eens heimelijk een traantje weg. Als kind weet je dan even niet meer wie of wat je moet geloven. Had mijn vader toneel gespeeld toen hij zei dat hij het leuk vond dat opa en oma weer eens een paar nachtjes bij ons bleven slapen terwijl hij zich in werkelijkheid al tot de tanden toe had gewapend omdat hij wist dat zij hem nog steeds als tweede keus beschouwden?

Dat lieten zij hem soms voelen zowel op onderhuidse als op confronterende manieren. Wanneer er aan tafel gelezen en gebeden werd bijvoorbeeld. Daarbij nam opa steeds ongevraagd het voortouw en dan dwong hij mijn vader, notabene in zijn eigen huis en aan zijn eigen tafel, een deemoedige houding aan te nemen omdat hij de betreffende teksten niet uit zijn hoofd kende. Ik hoor Va nog prevelen maar ik weet niet zeker of zijn intentie daarbij oprecht was. Binnensmonds geformuleerde verwensingen kunnen een hoog Hebreeuws gehalte hebben.
Was zijn gevoel van opluchting misschien terecht? En was mijn moeder verdrietig omdat zij haar ouders ook nu weer moest uitzwaaien? Of pinkte zij dat traantje weg omdat mijn vader zo opgelucht op hun vertrek reageerde? Ik zal het nooit weten. Maar ik denk dat mijn moeder haar ouders vaak heeft gemist. Ook al liet zij dat nooit echt blijken.















De legende van de gouden beer