De legende van de gouden beer

Mijn voormalige levenspartner was een kind van een gezellig Amsterdams echtpaar dat, zo op het oog, het voor velen onbegrijpelijke vermogen bezat om het gros van de alledaagse zorgen en beslommeringen simpel weg te lachen. Het leek alsof zij geen zorgen kenden.


Hun namen waren Wilhelmus Jansen en Katrijn Boverhuis. Zij hielden van elkaar. Dat kon je zien aan de manier waarop zij met elkaar omgingen. Zij liepen, als een al hoog en breed getrouwd stel, regelmatig hand in hand door de stad, iets wat in die dagen in Drenthe op zijn zachtst gezegd niet gebruikelijk en zelfs niet geheel zonder gevaar was. Zoiets werd als irritante aanstellerij ervaren. Of als een vorm van overdreven aandachttrekkerij, hetgeen nog erger was.


Zij hadden niet in de gaten dat zij zichzelf regelmatig buiten de gemeenschap plaatsten en dat zij daardoor hun hele leven lang als importvolk werden beschouwd. Het deerde hen niet. Zo op het eerste gezicht waren zij zo eerlijk als goud. Wanneer zij soms even boos op elkaar waren dan scholden zij er, desnoods midden in de stad, over en weer naar hartenlust op los waarbij zij vrijelijk strooiden met onschriftuurlijke krachttermen en dito verwensingen. Maar dan bleek al snel dat er feitelijk niets aan de hand was terwijl de gemiddelde omstander al had geconcludeerd dat een scheiding van tafel en bed voor hen zeer nabij was. Zodra de scheldpartij voorbij was liepen zij hand in hand verder en leek het of er niets gebeurd was. Het feit dat zij de harmonie in hun omgeving hadden verstoord drong nimmer tot hen door.  


Niet alleen hun gedrag maar ook hun kleding was afwijkend en ook wel opvallend. Zij volgden de meest-volkse varianten van de modelijnen die in de Randstad van kracht waren hetgeen betekende dat Wilhelmus en zijn zoontje Barteld er, althans volgens de goegemeente in Assen, vaak uitzagen als aangeklede apen terwijl Katrijn met haar blanke benen en dito borsten een vorm van frivoliteit aan de dag legde die in het algemeen werd afgekeurd door vrouwen maar die voor sommige mannen dermate aantrekkelijk was dat ook zij er schande van spraken.


Barteld was het oogappeltje van Wilhelmus en Katrijn.

Zij deden hun uiterste best om hem een gelukkige jeugd te bezorgen. Want zelf hadden zij die niet gehad. De moeder van Wilhelmus stierf namelijk al toen hij nog maar twaalf jaar was. Zijn vader was een losgeslagen flierefluiter die zijn zoontje verwaarloosde en die op een dag met de noorderzon vertrok en nooit meer iets van zich liet horen. De kleine Wilhelmus werd aanvankelijk opgevangen door een zus van zijn vader die geen kinderen had en alleen woonde. Dat ging een tijdje goed. Maar toen hij een puber was kreeg zijn tante een vriend. Het boterde niet tussen Wilhelmus en de nieuwkomer die nogal bazig en kortzichtig was. Na enkele heftige ruzies koos tante voor haar vriend en belandde Wilhelmus op straat.


De moeder van Katrijn overleed toen haar dochter tien was. Katrijns vader kon het verlies van zijn vrouw niet verwerken. Hij raakte aan de drank en keek nauwelijks meer om naar zijn dochtertje dat ziek was van verdriet maar dat nergens troost vond. Dit alles gebeurde in de jaren twintig van de vorige eeuw. Vele mensen in de Jordaan leefden in diepe armoede. De beide kinderen zwierven moe en hongerig door de straten. Daar kwamen zij elkaar tegen en sloten zij vriendschap voor het leven. In het begin overnachtte Katrijn nog wel eens bij haar vader, in de tochtende kelder waarin hij bivakkeerde. Maar daar was zij niet veilig. Als hij stomdronken was wist hij schijnbaar niet meer wat hij deed. En dat deed pijn. Duizenden mensen in de Jordaan leefden in zeer diepe armoede. Ik heb er een artikel over geschreven dat op mijn website staat. Dat kun je desgewenst nu eerst lezen maar ook later of nooit als dat je beter uitkomt.







De ontheemde kinderen trokken heel veel met elkaar op en zij deelden het geld en het voedsel dat zij bedelend en soms ook stelend wisten te bemachtigen. Zij sliepen meestal onder dekkleden van kleine vrachtschepen die her en der in de grachten lagen. Soms verdienden zij een paar centen met klusjes zoals ramen lappen in de betere buurten van de stad. Daar werden zij uiteindelijk van de straat geplukt door een Heilsoldaat die er voor zorgde dat zij, streng gescheiden van elkaar, in een weeshuis werden opgenomen waar zij tot hun achttiende jaar mochten wonen en waar zij voedsel, schone kleding en scholing kregen.  


Wilhelmus kwam, niet lang nadat hij het weeshuis op de dag na zijn achttiende verjaardag had moeten verlaten, als dienstplichtig militair in de kazerne in Assen terecht. Katrijn mocht toen nog twee jaar in het weeshuis blijven. Zij schreven elkaar wekelijks brieven waarin zij elkander eeuwige trouw beloofden.


Tijdens militaire oefeningen in de omgeving van de Drentse hoofdstad had Wilhelmus, een eindje buiten de stad, een vervallen huisje gezien dat daar, naar later bleek, al jarenlang te huur of te koop stond. Het was zo verwaarloosd dat niemand er in wilde wonen. Hij nam contact op met de eigenaar en kon het voor onbepaalde tijd huren.

 Katrijn reageerde enthousiast toen Wilhelmus haar per brief vroeg of zij met hem wilde trouwen. Zij moest het weeshuis binnen afzienbare tijd verlaten en was bang dat zij opnieuw op straat zou komen te staan. Wilhelmus had een baan gevonden, als machinaal houtbewerker, bij een houtzagerij tegenover de kazerne. Hij richtte het huis in met tweedehands meubels en ging er wonen op de dag dat hij afzwaaide.


Het paar ging in ondertrouw in Amsterdam en trouwde er ook.  Katrijn droeg een bloemetjesjurk met een kantkraagje die zij zelf had gemaakt van een lap stof en een gehaakt tafelkleedje. Gekocht in een uitdragerij in de Jordaan. Het waren tweedehandse spullen. Maar zo op het oog, echt zo goed als nieuw. Wilhelmus had zijn zondagse pak aangetrokken.

De getuigen waren kennissen uit het verleden die net als zij op straat hadden geleefd. Er werd een bescheiden bruiloftsfeest gevierd in een kroegje, annex logement, dat geen slechte naam had maar dat desondanks gemeden werd door de gegoede burgerij omdat de naam ook niet echt goed was.  


Het bruidspaar beleefde de eerste huwelijksnacht in een stoffig kamertje op de bovenverdieping. Hoewel zij in de loop der jaren wel eens hier en daar, verscholen onder een dekzeil of in het donker op een bankje in het Vondelpark, een beetje aan elkaar hadden gesnuffeld aanschouwden zij elkanders lichaam nu voor het eerst in volle naaktheid en glorie.


Zij beminden elkaar op een teder-hartstochtelijke manier. Samensmeltend in een zinderende golf van liefde die hen beiden het unieke gevoel gaf dat zij, na een lange en barre zwerftocht vol van ontberingen, eenzaamheid en pijn, eindelijk veilig thuis kwamen. Het was een verlossende ervaring die hun vriendschap bezegelde tot in en na hun dood. Zo voelden zij dat. Eenwording zonder woorden. En het was nog waar ook.


In de late uren van de nacht, het werd buiten al een beetje licht, zakten zij weg in een diepe en droomloze slaap. Twee uur later werden zij op wrede wijze gewekt door  de logementhouder die keihard op de deur bonsde omdat de tijd van de kamerhuur verstreken was. Er stonden nieuwe huurders klaar. Een prostituee met een ongeduldige klant. En de baas moest de dekens op het bed nog even snel voor hen rechttrekken want hij was gesteld op hygiëne ook al maakte hij daar geen halszaak van. Het ging hem vooral om doorstroming.


2-3

Wilhelmus en Katrijn moesten heel snel bijbetalen of meteen vertrekken. Zij kozen voor het laatste. Dezelfde dag kwamen zij met de laatste trein aan op het station van Assen. Wilhelmus droeg een tas met kleding van Katrijn toen zij naar hun huis buiten de stad liepen. In die tas zat alles wat zij bezat. De trouwfoto van haar ouders. Een kistje met naaigerei. Een poederdoosje dat naar rozenblaadjes rook. Het belangrijkste kledingstuk in de tas was haar trouwjurk. Die koesterde zij, als een heilig gewaad. Zij had zich voorgenomen om deze jurk haar hele leven lang met Kerst te dragen. Dan zou zij zich telkens weer even een prinsesje kunnen voelen. In die prachtige bloemetjesjurk met dat helderwitte kraagje.


Toen zij in Anreep-Schieven arriveerden was het er aardedonker. Het pad naar de zijdeur was modderig. Wilhelmus streek met een hand langs de verweerde muur totdat hij de deur vond. De sleutel knarste in het slot. Opeens voelde Katrijn zijn sterke armen om zich heen. Zij slaakte een kreetje van blijdschap en verwondering toen haar echtgenoot haar over de drempel tilde. Zoveel romantiek had zij niet verwacht. Zoiets gebeurde immers alleen in sprookjes. Zij zou dit haar hele leven niet vergeten. En dat stond los van het feit dat Wilhelmus bijna struikelde want het liep goed af.


Nadat haar echtgenoot op de tast, terwijl het vlammetje van een lucifer zijn vingers schroeide en hij binnensmonds een Amsterdams strijdkreet slaakte, de gaslamp in de kamer had ontstoken, werd het er al snel knus in het huis. Ze waren moe van de eerste huwelijksnacht waarin ze nauwelijks hadden geslapen en ook van de treinreis en de daarop volgende voettocht naar hun huis. Het duurde niet lang voordat zij dicht naast elkaar in de bedstee lagen. Het was een donker hol dat muf rook maar dat helemaal van hen zelf was. Hier was geen logementhouder die hen er uit kon sturen. Zij voelden zij zich er veilig en gelukkig en zij vielen vrijwel meteen in slaap.


Negen maanden na de eerste huwelijksnacht, zij waren inmiddels officieel Assenaren geworden, werd in dit gezellige huisje aan de rand van de stad hun ietwat vierkante zoontje Barteld geboren. Zij hadden nu een gezinnetje. En beetje bij beetje vervaagden in de loop der jaren de herinneringen aan hun ellendige jeugd. Hun ijzeren wil om gelukkig te zijn was een stuwende kracht die in werkelijke liefde voor elkaar was geboren en die levenslang stand hield. Door dik en door dun.









De legende van de gouden beer de-jeugd-van-de-jansens