De legende van de gouden beer

Zoals ik je in mijn boek vertelde hadden Jacob en Hilda Dijkema, mijn opa en oma van moeders kant, hun schip De Eben Haezer in afwachting van de geboorte van mijn moeder voor de zekerheid maar alvast in de haven van Meppel voor anker gelegd. Zij waren allebei als schipperskinderen in Meppel geboren. Het knusse havenstadje gaf hen een gevoel van zekerheid omdat zij wisten dat zij er konden rekenen op kraamhulp en eventueel ook op medische bijstand. Ze wisten niet of zij een zoon of een dochter zouden krijgen en dat maakte hen ook niet heel veel uit. Als het kindje maar gezond zou zijn. Dan was een meisje ook goed. Maar er kon nog van alles fout gaan. Een bevalling was een zware beproeving. Zij kenden een geval van nabij waarbij moeder en kind kort na de geboorte gestorven waren. Men kon niet voorzichtig genoeg zijn.


De geboorte verliep echter zeer voorspoedig en Jacob liet de namen van zijn dochtertje, Aaltje Johanna, het waren de voornamen van zijn jong overleden moeder, vol trots vastleggen in de registers van de burgerlijke stand. Hilda was al na twee dagen weer op de been en zij maakte de kraamhulp, die in haar ogen traag en lui was, een dag later met weinig woorden duidelijk dat zij niet meer terug hoefde te komen zodat de familie aan een vrachtvaart naar Assen kon beginnen. Zij droegen hun dochtertje ten doop in de Gereformeerde kerk toen zij een paar weken later opnieuw in Meppel waren.


Aoltien bracht, zoals zij mij ooit vertelde, de eerste jaren van haar leven door in een sfeer van harmonie en geborgenheid. Haar ouders waren lief voor haar. Zij had een afgeschermd speelhoekje met een zandbak op het dek en zij droeg altijd een tuigje dat met een touw aan de mast was bevestigd zodat zij niet overboord kon slaan. ‘s Zomers was zij vaak op het dek te vinden maar ‘s winters zat zij meestal binnen. Zij begreep al snel dat zij zichzelf moest vermaken. Als het schip niet aan de wal lag waren haar ouders de hele dag druk in de weer en dan duurde het vaak erg lang voordat Aoltien aandacht kreeg. Zij wist dat zij niet mocht klagen. Het feit dat zij geen andere kinderen ontmoette maakte haar een beetje eenzaam maar ze was nog te klein om dat echt te beseffen. Ze voelde wel vaak onvrede van binnen maar dat liet zij nooit blijken. Zo gingen haar eerste jaren voorbij waarin zij leerde dat zij vaak moest bidden en dat zij altijd een lief en braaf meisje moest zijn.


Op een dag, zij was inmiddels bijna zes jaar, meerde de Eben Haezer af in de haven van Delfzijl. Aaltje Johanna had begrepen dat zij er op visite zouden gaan bij een zekere oom Dirk en tante Wopke die zij niet kende. Dirk was een neef van haar vader. Het leek haar mooi om familie te ontmoeten. Want dat was nog nooit gebeurd. Haar vader zeulde een bruin leren koffer met zich mee terwijl zij naar het huis van oom en tante wandelden.


Zij werden er hartelijk ontvangen. Er stond een kraantjespot met koffie op tafel en tante Wopke ging rond met een schaal met snoepjes en Grunninger kouk. Aoltien kreeg limonade met een rietje. De volwassenen kletsten gezellig met elkaar terwijl de kleine meid de kamer in zich opnam. De ruimte was veel groter dan de kajuit van het schip. Het leek alsof oom en tante rijk waren. Aoltien zag een glimmende mahoniehouten kast die bijna tot aan de zolder reikte. Daarnaast stond een divan met een gehaakt sprei er over. Er hingen geborduurde kleden aan de wanden. En er was een radiotoestel waaruit eerst geheimzinnig geruis en daarna mooie muziek klonk toen oom Dirk aan een knop draaide. Ook klonken er zomaar stemmen, die in verschillende talen door de kamer zweefden.


Aaltje Johanna had nooit eerder zo’n wonderbaarlijk apparaat gezien. Zij wist niet wat het was. Haar ouders zeiden dat zij het een mooi kastje vonden maar haar vader voegde er aan toe dat zij er aan boord niets aan zouden hebben omdat zij daar geen stroom hadden.En zelfs wanneer zij dat wel hadden dan zouden zij nog niet zo’n toestel kopen. Zij wilden de wereldse waan van de dag, waarin Gods woord volgens mijn opa steeds vaker werd genegeerd, zoveel mogelijk buiten de deur houden. Hij zei dat terwijl hij een beetje bestraffend naar oom Dirk keek die net deed alsof hij de opmerking niet gehoord had en Aoltien een koekje gaf. Even leek het alsof de gesprekken stil vielen terwijl de radio doorspeelde. Oom Dirk en tante Wopke waren van de zelfde kerk als mijn grootouders maar zij hielden er blijkbaar ruimere opvattingen op na. Na een minuut van ongemakkelijke zwijgzaamheid schakelde oom Dirk de radio uit en gooide tante Wopke er een kleedje over. Vervolgens stelde oom Dirk voor om gezamenlijk te bidden voor het heil der mensheid en voor dat van schippersfamilies in het bijzonder. Hetgeen geschiedde.  


Een uur later stond Aolties vader op. Het leek alsof hij opeens erg veel haast had. Hij wees naar de koffer en zei tegen zijn dochtertje dat daar alles in zat wat zij nodig had. Haar moeder bleef zitten terwijl zij Aoltien met een verdrietige blik aankeek. Zij trok haar naar zich toe en kuste haar op beide wangen. ‘Het wordt tied. Wij moeten gaon’, sprak mijn opa met een stem die geforceerd koud klonk. Oom en tante knikten. ‘Het wordt vast wel gezellig, zo met zijn drieën hier’, glimlachte tante.  

Aolties ouders namen afscheid. Zij gingen terug naar het schip. Hun dochtertje sprong geschrokken op en probeerde haar jasje van de kapstok te trekken. Maar tante Wopke hield haar tegen.

 

Even later stonden zij met zijn drieën voor het huis. Oom en tante zwaaiden vrolijk naar Aolties ouders. En die zwaaiden af en toe terug. Maar de armpjes van Aaltje Johanna waren loodzwaar. Zij was totaal ontredderd en voelde zich verraden. Het lukte haar niet om te zwaaien. Ook niet, toen haar ouders zich in de verte nog even helemaal omdraaiden om voor de laatste keer te groeten voordat zij in een zijstraat uit het zicht verdwenen. Mijn moeder vertelde mij ooit dat zij vanaf die dag niet meer kon huilen. Zij wist niet of zij dat daarvoor wel eens had gedaan. Zij dacht van wel. Dat kon haast niet anders. Als baby misschien? Zij wist het niet zeker. Maar ze wist vanaf dat onverwachte afscheid in Delfzijl wel dat een mens sterk moet zijn en nooit mag klagen. Aan zelfbeklag heeft God een broertje dood. Haar ouders hadden natuurlijk het beste met haar voor gehad. Dat moest haast wel zo zijn.


Desondanks droeg zij vanaf die dag een knagend verdriet in zich mee dat er niet mocht zijn. Zij probeerde te begrijpen waarom haar ouders haar dit hadden aangedaan. Maar zij vond geen antwoord op die vraag. ‘Wees maar blij dat wij er voor jou zijn’. Dat zei tante Wopke vaak wanneer zij soms dagenlang verdrietig was. Maar dat lukte haar niet om ook nog maar een kwartiertje blij te zijn hetgeen haar natuurlijk schuldgevoel bezorgde omdat zij een ondankbaar kindje was.

Ik denk dat mijn opa en oma hun dochter een jeugd in een schippersinternaat wilden besparen. Enerzijds omdat zij haar een warmere en meer persoonlijke opvang gunden en anderzijds omdat familieopvang in zo’n geval veel goedkoper was. Zelf waren zij in hun kinderjaren ook bij familieleden ondergebracht en ook zij hadden toen, gescheiden van hun ouders, de lagere school doorlopen. Zij wisten niet beter. Een mens moet sterk zijn en zich bij de feiten neerleggen.


Zij handelden vanuit de opvatting dat een harde maatschappelijke leerschool voor een kind van groot belang is. Daardoor waren zij zelf immers geworden wie zij nu waren. Twee zelfstandige binnenvetters die elkanders zwijgzaamheid respecteerden en die hun persoonlijke stabiliteit ontleenden aan een ijzeren geloof in een hiernamaals waarvan zij deemoedig hoopten dat zij er ooit eeuwige rust zouden vinden. Hoewel zij elke dag weer opnieuw beseften dat zij daar geen enkel recht op hadden omdat zij als zondaars ter wereld waren gekomen. Het was een voortdurende strijd in hen zelf. De God in wie zij geloofden was voorspelbaar en onvoorspelbaar tegelijk. Hij kon meedogenloos streng en toch ook liefdevol en vergevingsgezind zijn. Zij probeerden zijn gedrag te imiteren. Streng maar rechtvaardig. Dat was hun motto. En haar dochter nam hun opvattingen en gedrag uiteindelijk gehoorzaam van hen over. Ik weet er alles van.          



Jarenlang zag Aoltien haar ouders hooguit twee keer per jaar. Haar moeder stuurde haar af en toe een kaartje. En soms ontving zij een brief waarin mijn oma haar op het hart drukte dat zij vooral braaf en gehoorzaam moest zijn. En natuurlijk moest zij elke avond, knielend voor haar bedje, een dankgebedje bidden. Hetgeen zij, ook zonder die aansporingen, wel was en deed.


Aoltien kreeg altijd een mooi speelgoedbeertje van haar verwekkers als zij op bezoek kwamen. Ter compensatie van het feit dat zij haar min of meer in de steek hadden gelaten. Althans zo voelde zij dat. Ze was blij met de grappige beestjes maar die konden het zeurende gevoel van eenzaamheid dat zij in zich meedroeg niet bij haar wegnemen. Zo ontstond er echter wel een mooie verzameling van exclusieve knuffelvriendjes die altijd braaf naar haar verhalen zaten te luisteren. Zij deelde haar gevoelens met hen en zij namen haar tranen op in hun vachtjes, waardoor zij in de loop der jaren maar een heel klein beetje verkleurden.


Na de lagere schoolperiode haalde het schipperspaar hun dochter terug aan boord. Zij konden er wel een goedkope arbeidskracht gebruiken. Het was de bedoeling dat Aoltien in de daarop volgende jaren het werk van een schippersvrouw onder de knie zou krijgen zodat zij later met een schipper zou kunnen trouwen. Zij hadden al iemand voor haar op het oog. Jochem Jans Drijver, een schipperszoon uit Zwartsluis, afkomstig uit een gereformeerd milieu en van huis uit niet onbemiddeld. Zijn ouders hadden, naast hun eigen schuit, nog een binnenschip in de vaart dat zij aan een bevriende schippersfamilie verpachtten.

Hun zoon kon er op rekenen dat hij een splinternieuwe boot van hen zou krijgen zodra hij er klaar voor was om zelfstandig ondernemer te worden. De bouwtekeningen lagen al klaar. De Dijkema’s waren er van overtuigd dat Jochem Jans hun dochter een goede toekomst zou kunnen bieden. En zijn ouders zagen Aoltien wel zitten. Zij kenden de Dijkema’s al jaren en zij wisten dat het goed volk was. Net zoals zijzelf.

Toen opa en oma mijn toekomstige moeder op een schippersbeurs aan mijn beoogde vader voorstelden sloeg er echter niet meteen een vonk over. Aaltje Johanna vond Jochem Jans een stijve hark en hij vond haar wel aardig maar niet sociaal vaardig genoeg. Zij keek hem bijna niet aan en zij trok haar hand geschrokken terug toen hij er stevig in kneep omdat hij dacht dat hij een mannelijke indruk op haar moest maken. Zij riep daarbij ook nog eens luidkeels ‘Auw’ hetgeen hem een schuldgevoel bezorgde. Maar de tijd heelt alle wonden en ook een gekneusd middenhandsbeentje hoort daar bij.

Het was de bedoeling dat beide families elkaar op een regionale bijeenkomst voor schippersfamilies in de gereformeerde kerk in Kampen zouden ontmoeten. Maar twee weken voordat het zover was strandde het schip van de Dijkema’s in de Drentse hoofdvaart, op de Smilde, ter hoogte van de Koepelkerk vanwege een defecte dieselmotor. Met alle gevolgen van dien.

Het was een zware tegenvaller voor Jacob en Hilda Dijkema. Mijn opa riep de hulp in van de eigenaar van de scheepswerf op de Smilde, een paar kilometer verderop. Die beloofde dat hij zijn uiterste best zou doen om het euvel zo spoedig mogelijk te verhelpen. Maar al met al duurde het toch nog drie weken voordat de motor hersteld was. En in die drie weken aan de wal veranderde het leven van Aaltje Johanna voorgoed.

Zij was inmiddels achttien jaar en droomde in stilte van een eigen gezinnetje. Vaak dacht zij daarbij aan Jochem Jans. Samen zouden zij een degelijk schipperspaar kunnen vormen. En misschien zou God hen welgezind zijn. Dan zou zij moeder worden. Maar als zij haar beoogde echtgenoot in gedachten voor zich zag staan dan begon haar hart nooit sneller te kloppen. Sterker nog; dan voelde zij een lichte afkeer als zij er aan dacht dat zij elkaar misschien ooit wel eens zouden moeten kussen zoals zij haar ouders af en toe wel eens heimelijk had zien doen, zittend op de rand van hun bed in het vooronder. Zij griezelde er van.

Het toeval wilde dat zij tijdens de gedwongen tussenstop in de Drentse Hoofdvaart mijn toekomstige vader ontmoette die daar elke zondag bij zijn ouders logeerde. De Eben Haezer lag er pal bij hen voor de deur. Jan werd smoorverliefd op Aoltien en zij voelde dat er verwarrende en soms zelfs opwindende kriebels door haar lichaam tintelden. Zij ontdekte daarbij tot haar verbazing dat er delen van haar maagdelijke zijnsvormpje bestonden waarvan zij niet wist dat die een geheel eigen leven konden leiden. Zij viel ten prooi aan een heftige strijd tussen verstand en gevoel. De gedachten aan God en haar ouders enerzijds, die haar zondige gevoelens vast en zeker zouden veroordelen en aan Jochem Jans anderzijds die dergelijke verlangens nooit in haar zou kunnen oproepen verlamden haar verstandelijke vermogens. Nu ik dit zo schrijf krijg ik medelijden met haar. Zij was het slachtoffer van een gebrek aan zelfbewustzijn, van een ingebakken schuldgevoel en van driften die zij niet kende en die zij daarom ook niet kon beheersen. Hoe anders ging dat later met mijzelf toen ik Barteld Jansen bij mijn volle verstand en weloverwogen toestond dat hij mij van mijn maagdelijkheid beroofde. Ik was geen slachtoffer zoals zij. Tenminste niet voor zover ik het mij nu nog kan of wil herinneren.







De legende van de gouden beer