De legende van de gouden beer

De jeugd van mijn vader


Mijn vader was de oudste van zeven kinderen. Zijn vader, Berend Jan van Dalen (die toen nog niet wist dat hij later mijn opa zou worden) verdiende de kost voornamelijk als seizoenarbeider in de landbouw in Smilde en omstreken. Soms werkte hij als turfgraver in de Duitse veengebieden vlak over de grens of als grasmaaier voor verschillende boeren in Noord Holland. Dan was hij vaak maandenlang van huis en moest moeder Dientje van Dalen-Brands het gezin al die tijd in haar eentje bestieren.

Het gebeurde wel eens dat opoe geen geld had om brood te kopen. Dan maakte zij schulden bij de bakker en de kruidenier. In de wintermaanden zat opa meestal werkloos thuis. Wanneer de winter lang duurde verviel het gezin in armoede. Omdat zij dan regelmatig naar de kerk gingen kregen zij voedsel en soms ook winterkleding en dekens van de plaatselijke armenzorg. Mijn opa schaamde zich daar voor. Hij wilde niet van de bedeling leven. Maar hij had soms geen keus.

Jan ging al op zijn twaalfde als knechtje met zijn vader op pad. Als hij goed zijn best deed was het werk sneller klaar. En daardoor verdiende opa dan soms wel een gulden per week meer. Mijn vader kon goed en snel ploegen, poten, zaaien, maaien en aardappels rooien. Doorleren was er voor hem niet bij.


Vanwege zijn visuele handicap hoefde Jan niet in militaire dienst. Op zijn achttiende vond hij een baan als sjoelbakmonteur bij een speelgoedfabriek in Assen. Hij dankte die betrekking aan Hendrik Knol, een jeugdvriend van zijn vader die in Assen woonde en die al enkele jaren met plezier bij het bedrijf werkte. Hendrik had een goed woordje gedaan voor Jan, toen de baas van de fabriek liet weten dat hij op zoek was naar jonge ongeschoolde, maar desondanks pientere, arbeidskrachten die een interne opleiding tot machinaal houtbewerker wilden volgen. Tijdens de opleiding kregen zij zakgeld. Maar zodra zij volleerd waren konden zij op een normaal salaris rekenen. Jan fietste naar Assen voor een sollicitatiegesprek, verzweeg zijn gezichtsbeperking en werd meteen aangenomen.


Al snel woonde hij in een huurkamertje dat Hendrik voor hem had geregeld, in de Javastraat in Assen. Zes dagen per week zwoegde hij in de fabriek waar naast sjoelbakken ook jojo’s en biljarttafels werden gemaakt. Hij had wel eens zin om na het werk, net zoals Hendrik dat regelmatig deed, even ergens een borreltje te drinken. Maar hij vond dat zonde van zijn zuurverdiende geld. Toch deed hij het een keer, omdat hij zich op zijn kamer eenzaam voelde maar zeker ook omdat hij Hendrik niet wilde teleurstellen.


Tot zijn schrik zag hij hoe Hendrik de ene borrel na de andere achterover sloeg en hoe hij al snel met dubbele tong begon te praten. Zelf had Jan toen nog maar twee borrels gedronken. Omdat alcohol bij hem thuis in principe taboe was (hij had alleen met oud en nieuw wel eens te diep in het glaasje gekeken) steeg de drank hem meteen naar het hoofd. En dat was iets wat hij beslist niet wilde. Hij besloot dan ook dat hij het bij deze ene keer zou laten. Hendrik begreep daar niets van. Hij noemde Jan gekscherend, maar helaas ook met een bittere en snijdende ondertoon in zijn stem, een ongeleufelijke dooie donder.


Omdat zij collega’s waren, die elke dag met elkaar moesten samenwerken, maar vooral ook omdat Hendrik een jeugdvriend van opa was, bleven zij goed met elkaar omgaan. Daar zorgde Jan wel voor. Hij vond dat hij de oude vriendschap niet mocht beschadigen. Daarom deed hij zijn best om het Hendrik zoveel mogelijk naar de zin te maken. Hendrik maakte daar soms misbruik van. Dan scheepte hij Jan op met klusjes in de fabriek waar hij zelf geen zin in had. Het solidariteitsgevoel van mijn vader was groot. En daarmee beperkte hij zichzelf door vriendelijk te grijnzen wanneer hij eigenlijk boos was. Ik ken dat. De lieve vrede is dan even belangrijker dan de waarheid.


Zaterdagsavonds fietste Jan altijd naar het ouderlijk huis in Smilde. Hij bracht daar de zondag door en bezocht er met zijn familie de Hervormde Kerk. Hij werd vooral door zijn twee jongste zusjes op handen gedragen omdat hij altijd iets lekkers voor hen meebracht. Zij wisten dat zij er op konden rekenen ook al zei hij vaak dat hij het vergeten was. ‘Zuuk maor niet in mien fietstas’, sprak hij dan met een treurige blik in zijn ogen. ‘Want daor zit dizze keer jammer genog niks veur jullie in’.

Wanneer zij dan, lichtelijk twijfelend maar toch ook vol vertrouwen en verwachtingsvol naar buiten renden genoot hij van hun opgewonden stemmen wanneer er toch een lolly of een zuurstok voor hen in de tas bleek te liggen. De enkele keer dat zij er niets in vonden wisten zij dat ze in de dakgoot van het schuurtje moesten kijken. Hun grote broer Jan stelde hen nooit teleur.

Hij had ook altijd eierkoeken voor het hele gezin bij zich en gaf zijn moeder elke week een rijksdaalder waar zij heel erg blij mee was. Daardoor hoefde zij in het vervolg geen schulden meer te maken. Het gaf haar een blij gevoel wanneer zij de kruidenier met een rijksdaalder betaalde en vervolgens het wisselgeld opstreek alsof dat voor haar de gewoonste zaak van de wereld was. Soms gaf zij hem zelfs drie centen fooi. Dan telde ze de muntjes langzaam uit op de toonbank en glimlachte ze minzaam zoals ook de vrouw van de dominee dat in dergelijke gevallen vaak deed. De kruidenier bedankte haar dan vriendelijk. Hij wist dat zij zich op zo’n moment een volwaardig mens voelde. En dat was voor een arbeiders vrouw zoals zij een onbetaalbaar gevoel. En elke extra cent was ook voor hem natuurlijk welkom.  


Va sprak alleen Drents

Het voorgeslacht van Jan van Dalen was diep in de provincie Drenthe geworteld. Generaties lang werd er in zijn familie alleen maar Drents gesproken. Op de lagere school in Smilde had hij slechts mondjesmaat kennis gemaakt met de Nederlandse taal. Binnen de muren van de school moesten de leerlingen Nederlands praten. Maar op het schoolplein en thuis spraken de meeste kinderen Drents of Stellingwerfs.

Omdat mijn vader vaak niet op school was lukte het hem niet zich de uitspraak en de klankkleur van het Nederlands eigen te maken. Hij sprak een mengelmoes van landstaal en streektaal en werd daardoor op ietwat latere leeftijd vaak uitgelachen. Hij slikte de N in en zijn Nederlandstalige zinsbouw vertoonde ernstige mankementen. Hij ging er onder gebukt maar kreeg daar op een gegeven moment genoeg van. Daarom koos hij er voor om zijn zelfrespect en waardigheid te behouden. Hij wilde nooit meer voor schut staan.

Ik heb hem tot aan zijn laatste snik dan ook alleen maar Drents horen praten. Het was een gedwongen, maar tevens bewuste keuze. Hij zei wel eens dat hij er niet van gediend was dat hij door ‘importlu die de pieren nog wel in de grond kunnen heuren hoesten’ meewarig werd aangekeken als hij zijn best deed om Nederlands tegen hen te praten. ‘Wij bint hier met mekaor in Drenthe. En dat importvolk dat mut zuch maor an oes anpassen’.

Hij maakte geen uitzondering voor de dokter en de dominee. En ook niet voor de burgemeester. Ik schaamde mij daar wel eens voor. Maar nu weet ik dat mijn vader een beschadigd eergevoel had. Als arbeidersjongen van zijn tijd telde hij nergens werkelijk mee en werd hij vaak afgewezen. Terwijl hij wel degelijk een goed stel hersens had. Zijn sterke karakter sleepte hem er uiteindelijk door. En daar ben ik achteraf trots op. Want dat heb ik van hem geërfd. Dat sterke, maar ook wel vaak hoekige en onhandige karakter van hem. In mijn geval is er een roomboterzachte laag van empathisch vermogen aan toegevoegd dat mij tot een toegankelijke persoonlijkheid heeft gemaakt. Terwijl hij het moest doen met een zeer dun inlevingsvermogenslaagje van ranzige reuzel en waterig spekvet. Hij was niet alleen visueel gehandicapt. Ook op het gebied van sociale vaardigheid en empathisch vermogen mistte hij enkele essentiële onderdeeltjes.

Het duurde lang voordat ik dat besefte. Toen ik een kind was keek ik tegen hem op. Vaak kroop ik op zijn schoot en dan voelde ik mij begrepen en veilig. Maar in mijn puberteit duwde hij mij op een dag vrij ruw van zich af toen ik tegen hem aankroop. Ik schrok er van. Een paar dagen later gebeurde het opnieuw. Ik kon het niet geloven. Maar na de derde afwijzing begreep ik dat hij mij niet meer lief vond hetgeen achteraf beschouwd niet waar was. Hij wilde de warmte van mijn ontluikende vrouwenlichaam niet in zich opnemen. Dat durfde hij niet. Hij was een man die mijn vader wilde zijn en blijven.

 Wij leken ergens wel op elkaar. Maar wij stonden toch mijlenver van elkaar af. Als het er op aankomt kan een mens alleen maar op zichzelf vertrouwen. Hulp van bovenaf is daarbij onontbeerlijk. In mijn geval tenminste. Maar ook daarbij is een sterk eigen karakter van belang. De Schepper heeft volgens mij geen respect voor meelopers en opportunisten. Ook al kunnen ook zij op Zijn liefde rekenen. Wanneer zij tijdig tot inkeer komen.

De legende van de gouden beer