De legende van de gouden beer

De bevalling verliep volgens Katrijn, die mij dit in vertrouwen vertelde toen ik al een tijdje haar schoondochter was, niet echt soepel omdat een ietwat fattig en tegenstribbelend Amsterdammertje, hetgeen de kleine Barteld nu eenmaal was, niet zo gemakkelijk naar buiten floepte als de gemiddelde Nedersaksische baby in die tijd. Die beschikten volgens haar in de baarmoeder al over een genetisch bepaalde grondhouding (het hoofdje alvast een beetje naar de aarde gericht) en waren doorgaans voorzien van twee schimmelend-gladde turfgraversvoetjes met dito teentjes er aan waarop de kalknageltjes nog niet volgroeid waren. Hetgeen de snelheid tijdens het verlaten van het geboortekanaal natuurlijk aanzienlijk verhoogde.


Ik weet niet of dit waar is. Het geldt in ieder geval niet voor Nedersaksiche elementen zoals mijn vader en ikzelf want wij kwamen voor zover ik het mij kan voorstellen (en ook als ik het karakterologisch beschouw) allebei met opgeheven hoofdjes ter wereld. Maar in het geval van mijn moeder zou de analyse van Katrijn kunnen kloppen. Zij was nu eenmaal een deemoedig typje. Hoewel haar ouders zelfstandige schippers waren die weliswaar turf vervoerden maar die zelf geen turfgraversbloed in de aderen hadden maar wel over opvallende kalknagels beschikten. Net als mijn vader trouwens.


Wilhelmus was heel erg trots op het feit dat hij zijn echtgenote zwanger had weten te  knutselen en hij was vrij kort na de geboorte van Barteld alweer, zeer zelfbewust van plan om dit,  voor hem zeer verkwikkende bevruchtingskunstje nog een keer te herhalen omdat hij van mening was dat er een tweede kind moest komen om het gezellige gezinnetje Jansen compleet te kunnen maken.

Maar Katrijn was het in deze beslist niet met haar wettige echtgenoot eens. Zij was er van overtuigd dat de kleine Barteld op zichzelf weliswaar niet geheel en al mislukt was. Als baby zijnde. Maar het baren van een tweede exemplaar, op basis van het haar dus blijkbaar ter beschikking staande erfelijkheidsmateriaal van de zijde van Wilhelmus? Neen. Dat leek haar geen goede daad  ten opzichte van kind en gezin en tevens ook niet ten aanzien van de regionale maatschappij en samenleving.  

Zij wist dan ook op vernuftige wijze te voorkomen dat zij opnieuw zwanger zou worden ten gevolge van het nachtelijke gehannes en gepruts van en door haar echtgenoot in en om de echtelijke sponde verricht en gepleegd. Omdat Wilhelmus in het kader van zijn voortplantingsplan geen voorbehoedsmiddelen wenste te gebruiken breidde Katrijn in het geheim opvangsokjes die zij vrijwel ondoordringbaar maakte door er een laagje turfstrooisel in aan te brengen. Vervolgens goot zij er een mengseltje van stopverf en jenever bij in.

De jenever had een zeer prikkelende en procedure versnellende werking op alles wat er in het kousje binnendrong en de stopverf smoorde potentiele lekkageplekjes in het turfstrooisel in de kiem. Het was de kunst om zo’n sokje op het juiste moment ongemerkt in het juiste brandhaardje in te brengen maar dat lukte Katrijn  steeds wonderwel waardoor er geen vierkant nageslacht meer ter wereld kwam in het overigens toch wel al heel erg gelukkige gezinnetje Jansen.

Barteld was volgens Katrijn een vrolijke baby. Hij vond het waarschijnlijk fijn dat zijn moeder geen blijvend letsel had overgehouden aan zijn geboorte hoewel zijn brede schoudertjes onderweg vast hadden gezeten waardoor er een heggenschaar aan te  pas moest komen om moeder en kind van elkander te verlossen.  

Katrijn was desondanks ook heel erg blij geweest met haar spruit en vader Wilhelmus had geen onoverkomelijke bezwaren aangevoerd tegen de inburgering van het mollige mormeltje dat hij voortaan als zijn eigen zoon diende te beschouwen. Hij deed de volgende dag meteen aangifte van de geboorte op het politiebureau. Maar hij werd door de dienstdoende balieagent, vooralsnog volkomen terecht, doorgestuurd naar het gemeentehuis.

Barteld was als kleuter een traag ventje. Op de fröbelschool aan de Javastraat viel hij een beetje uit de toon doordat hij in het speelkwartier steevast een schommel bezet hield zolang er geen kleuterjuf in de buurt was om hem in zijn gedrag te corrigeren. Geen enkel jongetje kreeg de kans om op de schommel te klimmen. Meisjes daarentegen kregen gratis toegang zodra zij hem een kusje op zijn neus hadden gegeven. Hij gaf ze dan een stevige duw in de rug waardoor zij meteen heel hoog konden schommelden. En hij ving ze liefdevol op wanneer zij met trillende beentjes en bonzende hartjes om genade smeekten.

De meisjes die het hardst om genade riepen stonden elke dag opnieuw vooraan in de rij. Barteldje was toen al zo sterk dat hij ook een juf omhoog kon slingeren. Juf Lolkje. Die gilde ook. Maar omdat Barteld haar achterwerk te breed vond ving hij haar de tweede keer niet op. Zij viel met een verende klap op de tegels en nam hem dat gevalletje bijzonder kwalijk. Onterecht natuurlijk. Want welke volwassen vrouw verwacht er nu van een kleuter dat hij haar elke dag wil en zal opvangen. Barteld verloor toen echter zijn alleenrecht op de schommel. Hij moest voortaan netjes in de rij gaan staan als hij er zelf even op wilde. Dat deed hij nooit en juf Lolkje dacht dat het koppigheid van hem was. Zij vond hem een rotjongetje.

Ik weet nu dat Barteldje een diepgewortelde schommelangst had vanwege zijn dikke beentjes die hij niet vertrouwde in situaties waarin hij vanuit een actieve schommelsituatie een stabiele landing moest maken. Hij had dat een keer gedaan. Maar dat ging heel erg mis. Hij hield er een plat neusje aan over.Zijn onverwoestbaar vrolijke karakter had hem er toe gebracht om zijn schommelangst om te zetten in hondsbrutaal verdeel en heers gedrag waarbij hij meisjes voortrok. Het had dus niets met seksisme of iets dergelijks te maken. Hij vond dat meisjes heerlijk gilden. En zij hadden het hoe dan ook spannend gevonden.


Op de lagere school  begreep Barteld ogenschijnlijk weinig van de lesstof die hem werd aangereikt. 'Dat kereltie zit niet veul bij', oordeelden de mensen die hem van nabij kenden. Het lukte de kleine Jansen uiteindelijk om het Aap Noot Mies onder de knie te krijgen. En rekenen kon hij ook wel een beetje. Met een telraampje. Maar een ruime mate aan algemene ontwikkeling zat er voor hem niet in. Hij ging er niet zichtbaar onder gebukt maar hij compenseerde zijn latent aanwezige minderwaardigheidsgevoel wel door af en toe een kleine misdaad te plegen. Zo blies hij ooit het gammele brugje over het Anreperdiep op met een melkbus waarin hij een kilo carbid had opgeslagen. De knal was in de verre omtrek te horen en dit incident leidde er toe dat Barteld op het matje moest komen bij de politie en daarna ook bij een psycholoog. Die man ontdekte dat hij het prototype was van OH-er.

In die tijd werden er nog geen etiketten geplakt op de voorhoofden van kinderen die min of meer afwijkend gedrag vertoonden. Barteldje was het eerste kind in ons land dat het etiket Onopgemerkt Hoogbegaafd verwierf en hij knapte er behoorlijk van op.  

Inmiddels heeft de wetenschap vastgesteld dat het om een eigenzinnig cellenblokje in de formatio reticularis gaat. Dat blokje ontregelt het doorgaande denkverkeer in de hersenstam. Neurologen troffen het blokje aan bij primaten op Borneo. Deze apen zijn eveneens zeer intelligent zonder dat het iedereen meteen opvalt. Het is een lastig te herkennen afwijking. En er zijn tot op heden nog geen medicijnen voor ontwikkeld. Barteld treft dus geen blaam. Als OH-ertje zijnde vond hij de lesstof natuurlijk veel te saai. Dus leren? Ho maar. En daar kon hij dus echt niets aan doen.









De legende van de gouden beer