De legende van de gouden beer

Aan het eind van mijn tienertijd voltrok zich een ramp in onze familie. De catastrofe kondigde zich aan toen een politieman ons op een herfstige middag in 1966 met een ernstig gezicht een telegram kwam brengen. Hij overhandigde het aan mijn moeder die meteen aanvoelde dat er iets vreselijks gebeurd moest zijn. Desondanks vroeg zij eerst of hij een kopje thee wilde. Toen de politieman thee dronk opende zij het telegram en vroeg zij mij of ik het hardop wilde voorlezen. Ik voelde mij vereerd. Zij vertrouwde mij iets belangrijks toe wat voor haar zelf blijkbaar te moeilijk was. Met trillende stem las ik het bericht aan haar voor. En gaandeweg drong de verschrikkelijke waarheid tot mij door.


Mijn varende grootouders Jacob en Hilda hadden zich met hun schuit op de IJssel begeven. En daar waren opa en oma in dichte mist overvaren door een vrachtvaarder die veel groter was dan hun eigen schip. Mijn moeder werd lijkbleek. Maar ze huilde niet. En toen ze zag dat er wel een paar  tranen over mijn wangen rolden keek zij mij aan met een blik in haar ogen die het midden hield tussen boosheid en ongeloof. Huilen had geen enkele zin. Dat maakte zij mij meteen duidelijk. En als ik haar nu wilde helpen dan moest ik haar in haar mentale hardheid steunen. Ik probeerde dat te doen. Maar het lukte mij niet helemaal. En daar schaamde ik mij voor.


 Ik vroeg de politieman of hij nog een kopje thee wilde. Hij schudde zijn hoofd en stond op. Hij had zijn plicht gedaan. Maar ook hij had het er zichtbaar moeilijk mee. Ik zie hem nog op de fiets stappen. Hij slingerde een beetje toen hij weg reed.


Toen Va ‘s avonds thuis kwam gaf mijn moeder hem het telegram. Hij las het, terwijl hij nog half in de deuropening stond. Ik zag dat hij lijkbleek werd. En even leek het alsof hij zijn vrouw wilde troosten. Hij deed een stap naar voren. In zijn ogen zag ik een liefdevolle blik die ik er nooit eerder in gezien had. Maar zij negeerde zijn uitgestoken hand en deed een stap terug. Hij aarzelde heel even. Het was alsof hij haar naar zich toe wilde trekken. Maar toen zij hem resoluut de rug toe keerde verwoestte zij daarmee de lieve blik in zijn ogen. Hij liep woedend naar buiten.

 Ik hoorde hoe hij zijn onmacht botvierde op onze oude haan die de hele dag al gezellig in de tuin had rondgescharreld maar die nu opeens heftig verontwaardigd en fel protesterend door de lucht en langs het raam fladderde. Het liep gelukkig goed voor het beestje af. Hoewel hij wel zijn staartveren miste.


Een kwartier later zaten wij met zijn drieën aan de keukentafel alwaar wij zwijgend van ons avondmaal probeerden te genieten. Mijn vader had het gebruikelijke gebedje overgeslagen. Ik begreep hem. Want woede en deemoed gaan niet samen. Pas de volgende avond kwam er een moeizaam gesprek op gang. Maar een nuchtere ondertoon smoorde alle diepere gevoelens in de kiem. Ik zag de aan onwil grenzende onmacht van mijn ouders. En ik had ze allebei graag willen troosten. Maar ik wist dat ik mijzelf daarmee in hun ogen volstrekt belachelijk zou maken.

 


De Jansens reageerden totaal anders dan ik van hen verwachtte toen ik hen het vreselijke nieuws vertelde. Deze keer was er bij Wilhelmus geen spoortje van de relativerende oppervlakkigheid te bekennen waarmee hij doorgaans persoonlijke tegenslagen en onheilstijdingen dacht te kunnen pareren. Ook Katrijn maakte mij meteen duidelijk dat zij de ernst van de situatie in zag. Zij begon te huilen toen zij voelde hoe ik krampachtig vocht tegen tranen die er niet mochten zijn.


Barteld drukte mij een beetje onhandig maar wel lekker stevig tegen zich aan. En voor het eerst voelde ik geen argwaan of afkeer toen hij mij een kus wilde geven. Het voelde goed en op een wonderbaarlijke manier ook vertrouwd. De emoties die onze ogenschijnlijk oppervlakkige buren met mij deelden waren vele malen echter en dieper dan die van mijn emotioneel geremde ouders. Het was of ik voor het eerst in mijn leven werkelijk werd begrepen. De Jansens kenden mijn grootouders een beetje van de zeldzame keren dat zij bij ons op bezoek waren geweest en ze herinnerden zich hun voornamen. Jacob en Hilda waren geen vreemden voor hen. Zij troosten mij met warme chocolademelk en lieve woordjes en Wilhelmus wist te voorkomen dat Barteld mij opnieuw tegen zich aandrukte. Waarschijnlijk begreep hij dat sommige zuivere bedoelingen in een mannenbrein maar zelden geheel en al zuiver blijven wanneer er elders in de corpus, als gevolg van heimelijk gewenst lichamelijk contact, sapstroompjes op gang komen die de ware intentie van de emotionele betrokkenheid vertroebelen.


Toen ik thuis kwam vroeg Moe met trillende stem hoe de buren op mijn verhaal hadden gereageerd. Vonden zij het erg voor ons? Ik zei: ‘Ja. Ze vinden het heel arg. En dat menen ze ok’. Waarop Va mij meewarig aankeek. ‘Nou, dat moet ik dan eerst nog maor ies zien. Wat kan dat volk dat nou schelen. ’t Is heur familie toch niet?’. Ik zag hoe de hoopvolle blik in mijn moeders ogen verstarde. Zij keek expres langs mij heen. En ik begreep dat alleen verharding ons nog kon redden.       


Het stoffelijk overschot van oma is enkele weken na het ongeluk gevonden. Ergens in het Keteldiep. Maar het lichaam van opa is nooit boven water gekomen. Oma is begraven op een kerkhof in Kampen. Dat gebeurde zonder dat er iemand van onze familie bij aanwezig was. En een grafsteen heeft oma nimmer gekregen. Mijn ouders hebben ook nooit de moeite genomen om haar graf te bezoeken. Het was een lange reis voor hen 'en wij vinden daor ja toch niks', aldus mijn vader die toen (geloof ik) ook namens mijn moeder sprak. Soms twijfel ik daar wel eens aan. Maar als zij ooit van plan is geweest om naar haar moeders graf te gaan dan heeft zij dat bewust voor ons verzwegen. Zij zou er absoluut niet samen met haar man naar toe zijn gereisd. Misschien had ze mij wel meegevraagd? Ik denk het niet. Verstokte eenlingen kunnen hun verdriet met niemand delen. En dat willen zij meestal ook niet. Daarbij komt het ijzeren feit dat mijn vader het haar verboden zou hebben als zij in haar eentje op reis had willen gaan. Een getrouwde arbeidersvrouw ging in die tijd niet zonder haar man op pad.


Tijdens de grote schoonmaak in het volgende voorjaar kwam ik er achter dat Moe een geheim spaarmapje bezat. Zij had het verstopt achter haar berenverzameling in de bedstee. Toen ik het kleingeld uit nieuwsgierigheid had geteld begreep ik dat zij er zeker een retourtje Kampen mee betaald zou kunnen hebben. Ik legde het mapje snel terug. Maar toen ik er een paar dagen later nog eens stiekem naar wilde kijken was het verdwenen. Hoewel ik voelde dat mijn moeder wist dat ik haar geheimpje kende hebben wij er met geen woord over gesproken. Kampen was voor ons een brug te ver.   


Ooit heb ik in mijn eentje urenlang op de plek des onheils in een wankele kano naar opa’s schippers pet gezocht. Volgens een waarzegster op de TT kermis van 1972 zou die namelijk ergens in het riet aan de oever van de IJssel op een waardige bergingsceremonie liggen te wachten. Maar uiteraard vond ik opa’s pet daar niet. De rietkragen zijn ter plekke nogal breed. En ze zijn ook vele kilometers lang.


Het scheepswrak ligt nog steeds op de bodem van de IJssel. De schuit is bij de aanvaring in tweeën gebroken. Het kajuitje staat nog fier rechtop het achterste gedeelte.

Een duikersploeg van de  regionale brandweer heeft de schuit een jaar geleden opgespoord. Het wrak wordt tegenwoordig gebruikt als oefenobject voor duikers.

Ik kwam daar nog niet zo lang geleden achter, doordat een amateurhistoricus uit Kampen mij dit verhaal per mail meldde. Hij probeert de geschiedenis van het schip boven water te krijgen. En ik kon hem daar wel alvast het een en ander over vertellen.

Enkele weken later stuurde hij mij uit erkentelijkheid een foto van de overwoekerde kajuit. Met twee luchtbellen-blazende brandweerduikers er in. Ik heb er een tekening van gemaakt, omdat de foto nogal wazig is. En ook omdat deze twee duikers lachend naar de onderwatercamera zitten te wuiven. Daar kan ik niks mee. Ze staan er dus niet op.



Terwijl ik zat te tekenen zag ik opa en oma in de kajuit zitten. Zwijgend tegenover elkaar aan de ruwhouten tafel. En ik zag toen ook opeens de ogen van mijn moeder. Ogen die na het ongeluk jarenlang vertroebeld naar de wereld hebben gekeken vanwege het geronnen verdriet dat zij in zich mee droeg en dat zij bij mijn vader niet kwijt kon omdat zij dat zelf niet wilde. Zij had waarschijnlijk gelijk dat zij niet voor troost en begrip bij hem aanklopte. Want hij bleef toch altijd de ogenschijnlijk stoere man die hij zo graag wilde zijn. Zijn bekende dooddoeners zouden haar verdriet alleen maar verergerd hebben. ‘Dood is dood. Dat giet nou eenmaol zo. Het is niet aans'. Ik hoor het hem nog zeggen. Hij zou haar indertijd, met zijn uitgestoken hand, bezeerd hebben wanneer zij zich niet meteen had omgedraaid. Als zij tegen hem aan was gekropen dan was er iets in haar losgebroken wat onbeheersbaar was. En dan zou hij vroeg of laat toch glashard gezegd hebben dat zij zich niet langer moest aanstellen.


Soms probeerde ik mij voor te stellen hoe oma daar op dat snel zinkende schip voor het laatst verschrikt en luidkeels naar opa heeft geroepen: 'Jacob! Woar bist doe!' En hoe zij zijn stem niet meer hoorde in die mistige wereld waarin hij al verdwenen was. En nu zat ik op mijn laptop naar hun kajuit te staren. Een confronterende foto, die vervaagde in een waas van tranen.












De legende van de gouden beer