De legende van de gouden beer

Onze beren werden samengesteld tijdens een zesdaagse productielijn. Maandags werden er alleen maar armpjes gemaakt. Dinsdags maakten onze dochtertjes, onder leiding van hun artistieke moeder, de beentjes en de voetjes en woensdags volgden de rompjes. Op donderdagen waren de hoofdjes aan de beurt en vrijdags volgden de mopsneusjes, de flapoortjes en de pientere kraaloogjes. Zaterdags werden alle losse onderdelen in elkaar gezet en werden de beren ingepakt. Barteld verleende elke dag verschillende hand en spandiensten en hij was een goede inpakker ook.

's Zondags nam ik de kinderen altijd mee naar de kerk. Barteld voelde zich daar niet echt op zijn gemak en daarom beleef hij meestal thuis. Als ik met de kinderen innerlijk verkwikt en uiterlijk sprankelend van pepermuntgeur van de kerkdienst thuiskwam lag Barteld steevast te snurken op de canapé met in zijn handen een vergeelde Bijbel. Dit om maar aan de geven dat hij toch wel een beetje gelovig was. Maar ook wel, om een schisma met mij en de meisjes te voorkomen. Barteld geloofde in de evolutie-theorie, overigens zonder dat hij deze dwaalleer zelf ooit onder woorden heeft kunnen brengen. Ik heb hem er meerdere keren naar gevraagd. Maar hij kon het niet uitleggen. Hij kwam nooit verder dan: ‘Ja dat is nu eenmaal een geloof en daar moet je in geloven anders werkt het niet en dat doe ik dus.’   


Ik was, zoals je wel al hebt begrepen, een beetje boel intelligenter dan hij. En omdat intelligentie vaak gepaard gaat aan innerlijke twijfel bekroop mij soms wel eens het onheilspellende gevoel dat mijn wettige echtgenoot misschien wel eens een achter- achter- achter- (bis) kleinkind zou kunnen zijn van een Afrikaanse boomgorilla. Ik wierp deze duistere gedachten altijd meteen ferm en krachtig van mij af door mijzelf voor te houden dat Barteld nooit de neiging had vertoond om zich in onze appeltuin van boom tot boom te slingeren. Die waarheid was voor mij een een schrale troost.


Gelukkig voor mij en de kinderen begon het productieproces elke maandag weer opnieuw en kon ik mijn aandacht en mijn geest weer helemaal op de beren richten.

Op maandagen arriveerde er altijd een vrachtwagentje bij onze productieschuur dat bestuurd werd door een blonde vertegenwoordigster uit Groningen die geschoold was in het op commercieel-verantwoorde wijze distribueren van speelgoederen, zowel in het binnen- als in het buitenland. Zij was een liefdevolle vriendin van de (al eerder genoemde) roodharige handelaarster in tweedehands bekledingsstoffen en idem dito versleten pantoffels.

Ik ging regelmatig met deze vertegenwoordigster mee naar Groningen alwaar ik dan, gedurende enkele dagen en nachten achtereen, samen met de roodharige en de blonde dame nieuwe ideeën opdeed in het Groningse uitgaanscircuit, met name op het gebied van kleinschalige speelgoedproductie maar ook wel op andere gebieden in het algemeen.

Barteld had soms zo zijn twijfels aangaande de intenties waarmee ik in het bovengenoemd grootstedelijke uitgaanscircuit verkeerde. Hij stelde mij er wel eens een suggestieve vraag over. Zoals deze: 'Gaan jullie wel eens naar een kroeg daar in Grunning?' Waarop ik dan een bevestigend antwoord gaf in de trand van: 'Ja, maar daar komen gelukkig geen mannen, dus daar hoef jij je geen zorgen over te maken'.

Hetgeen Barteld dan geruststelde, maar eigenlijk ook weer niet helemaal. Hij bleef achterdochtig hetgeen mij eerlijk gezegd van binnen en van buiten vrijwel koud liet. Ik had deze uitstapjes heel erg nodig en ik heb er op verschillende terreinen vrij veel baat bij gehad.


De legende van de gouden beer