De legende van de gouden beer

In de Drentse hoofdstad spreekt men in toneelkringen nog steeds vol bewondering over de bijzondere kwaliteiten van Wilhelmus Jansen. Hij ontplooide zich als voorzitter, regisseur en souffleur van de Asser toneelvereniging Kort Maar Krachtig (KMK) die hij zelf had opgericht. Katrijn was grimeur en Barteld verzorgde de lootjesverkoop en hij deed ook de trekking.


Elk jaar in februari speelde de vereniging de bomvolle zaal van Boele Geerts plat. Er werd steevast een eenakter opgevoerd die twintig minuten duurde. Daarna verkocht Barteld loten en volgde er een kort bingofeestje waarbij men extra loten kon winnen. Vervolgens werd de trekking van de loterij gehouden. Traditioneel volgde er dan een ‘bal na’ waarbij Wilhelmus en Katrijn onder de naam Klaas en Klazientje op onnavolgbare wijze een accordeon en een drumstel mishandelden terwijl beiden er ook nog meerstemmig bij probeerden te zingen. Zij beschikten over een zeer breed repertoire aan levensliederen en  polonaises dat minstens uit tien nummers bestond die zij op verzoek, maar meestal ongevraagd, tot in de kleine uurtjes herhaalden.


Voor kinderen verzorgde KMK altijd een matinee voorstelling. Met een ietwat vierkant gebouwde clown als presentator in wie ik toen nog niet mijn buurjongen Barteld herkende. Hij deelde aan het eind van de voorstelling snoepgoed uit. Ik kreeg van hem, als enige in de hele zaal, altijd twee zakjes. En een kusje, dat naar tandplak rook. Dat was niet fris. Maar ik genoot van de voorkeursbehandeling die mij ten overstaan van alle andere kinderen ten deel viel.


Vanaf mijn veertiende jaar bezocht ik, samen met mijn ouders, de avondvoorstellingen. Dat was een gezellig gezinsgebeuren. Want Va en Moe waren dan altijd vrolijk gestemd. En ik had mijn zondagse jurk aan. Dat was de enige jurk die in de winkel gekocht was. De andere twee had mijn moeder zelf gemaakt. En dat kon je zien.


Wij zaten altijd op de eerste rij, dankzij Wilhelmus, die wel eens zei dat hij goede buren op de eerste rij belangrijker vond dan hoogwaardigheidsbekleders en dat soort volk. Hoewel ik meestal met volle teugen genoot van de professionele prestaties van vrijwel alle spelers was ik toch blij wanneer de eenakter afgelopen was. De trekking van de loterij was voor mij het hoogtepunt van de avond. Ik won minstens zeven prijsjes per voorstelling en ik begreep pas veel later dat ik dat aan Barteld te danken had. Hij speelde vals in mijn voordeel. Hetgeen meestal vanaf de vierde keer dat Barteld enthousiast en quasi-onschuldig een van mijn lotnummers uit zijn mandje toverde enig geroezemoes in de zaal teweeg bracht. Bij elk volgend prijsje werd het publiek spreekvaardiger. En na de zevende prijs weerklonk er geheid een collectief dreigement. Waarna ik niets meer won.







De legende van de gouden beer

Wilhelmus werkte niet alleen als machinaal houtbewerker. Hij hield er ook een konijnenfokkerij op na die volgens hem geheel en al geschoeid was op de kunstzinnige Rabbi-stroming van de  Amsterdamse School. Dat betekende volgens onze buurman dat de konijnen in feite gezien moesten worden als kunstobjecten. Omstreeks Pasen waren zij knalgeel gekleurd terwijl zij in de zomermaanden waterig-blauw geverfd door het leven gingen.

Omstreeks Kerst  zetten de Jansens ieder jaar een kraampje in de voortuin waarin de dikste konijnen uit het fokkerijtje te koop werden aangeboden. Naar keuze springlevend en strak in het vel, dan wel plaatselijk verdoofd en lichtelijk sudderend in een al ietwat uitgeklede voorgebraden staat.  

De autochtone Drenten spraken er binnensmonds schande van, want een half- of al bijna geheel-gebraden konijn diende indertijd volgens de Drentse zeden en gewoonten niet alleen maar plaatselijk verdoofd maar fatsoenlijk overleden te zijn. Desondanks vonden de heerlijk geurende konijnen toch gretig aftrek onder de bevolking. Hetgeen wel iets zegt over de aard van de gemiddelde konijn-etende Drent van die dagen.

Men protesteerde slechts mompelend tegen vermeend dierenleed en ander onrecht en men had niet de moed om het Rabbit-Model van de Amsterdamse school openlijk ter discussie te stellen. Daarvoor was de overredingskracht van Wilhelmus Jansen te groot. Zijn vrouw en hij waren immers 'mensen van de wereld'. En daar had de gemiddelde Drent in die jaren nog wel enig respect voor. Hoewel er ook altijd een sluimerend gevoel van afkeer op de loer lag. De Jansens waren en bleven vreemde vogels.

Men keek er in onze omgeving dan ook niet echt van op toen zij op een dag een oude kameel aanschaften. Katrijn had het exotische dier voor een zacht prijsje gekocht van een circusdirecteur die aan de drank was. De man kampte derhalve constant en ook doorlopend met geldgebrek. En alle dieren leden vrijwel permanent honger.  

Deze circusbaas toonde Katrijn op een avond, speciaal voor haar alleen, en in haar eigen keukentje, via een toen zeer moderne toverlantaren, een fraaie serie stilstaande beelden waarop te zien was hoe er in de afgelopen jaren, toen de Jansen's er al lang niet meer woonden, een kameel-haar-industrie in Amsterdam van de grond was gekomen. Hij maakte Katrijn wijs dat kamelenhaar bijzonder geschikt zou zijn voor de productie van scheerkwasten en hij bood haar, aan het eind van de voorstelling, de kameel te koop aan. Dan konden de Jansen's meteen een Drents-eigen scheerkwastenfabriekje beginnen!

Toen Wilhelmus laat op die avond thuis kwam van een proefavondje in een naburig jeneverstokerijtje trof hij zijn echtgenote, luchtig gekleed en zittend op het aanrecht, in het nog geheel verduisterde keukentje aan. Even later zag hij pas dat ook de circusdirecteur verblijf hield in de nabije omgeving van het aanrecht. Katrijn vertelde Wilhelmus heel enthousiast van het voorstel op het gebied van de kameel. Maar haar aangeschoten echtgenoot zag dat eerst niet zo zitten. Hij vond de kameel wel sympathiek vanwege de beide bultjes aan de bovenkant.  Maar ja. Het was natuurlijk wel een kameel.

Maar Katrijn wist hem uiteindelijk, nadat zij hem eerst nog snel een paar glaasjes jenever in zijn keelgat had gegoten, toch over te halen om het harige beest te kopen. Want ook Wilhelmus zag inmiddels in dat er voor hen een bloeiend scheerkwastenfabriekje in het verschiet zou kunnen liggen. Een eigen bedrijf, dat mogelijkerwijs zou kunnen uitgroeien tot een groot en winstgevend internationaal Drents-eigen scheerkwastenconcern met (uiteindelijk misschien zelfs) een hoofdkantoor in hun eigen, nog steeds in stilte geliefde, Mokumse Amsterdam.

Maar helaas. Nadat de koop was gesloten, en nadat er de volgende dag meteen al een eerste kameelhaar-oogst was binnengehaald en er tevens in het schuurtje een kleinschalige kwastenmakerij op gang was gekomen, bleek alras dat scheerkwasten van kamelenhaar veel te hard en te stekelig zijn. De klanten van kappers die de kwasten hadden gekocht kregen er bulten van in het gezicht. Er kwam dan ook veel maatschappelijk onaanvaardbare trammelant van.

Het Drents-Groningse kappersgilde sprak binnensmonds van 'die verrekte westerlingen met heur mooie praoties' en de leden van het gilde dreigden het echtpaar lek te prikken met hooivorken van het solide merk Herder en Solingen. Het kwastenhandeltje viel mede daardoor al snel stil en de kaalgeschoren kameel kreeg natuurlijkerwijs weer grote bossen haar op borst, buik, benen en bulten. Het arme beest werd vervolgens, op initiatief van Katrijn, ingezet als toeristische attractie. Voor een dubbeltje per uur mochten buurtgenoten, Assenaren en voorbijgaande dagjesmensen er een flink eind op rijden. Hetgeen veelvuldig geschiedde.













De legende van de gouden beer