De legende van de gouden beer

Op een zonnige zaterdagmiddag hakte Va, quasi onverschillig en ogenschijnlijk zelfs met enig genoegen, de kop van een kip af waarna hij het onthoofde wezentje enkele rondjes achter het huis liet rennen. Net zo lang tot het leeggebloed in elkaar zakte. Dat vond hij geloof ik leuk. Maar ik vond het verschrikkelijk. Toen ik overstuur naar mijn moeder rende snauwde zij dat ik mij niet zo moest aanstellen. ‘Het is ja maor een kip’.

’s Avonds aten wij aardappelen met appelmoes. En ook het onthoofde wezentje stond op het menu. Ik kon geen hap door mijn keel krijgen. Va werd boos. ‘Ie moet je niet zo anstellen wicht. Der bint kinder zat op de wereld die hielemaol niks te eten hebben. Die gaon dood van de honger!’ Hij sneed een trillend stukje vlees af en drukte het aan zijn vork tegen mijn mond. Ik perste mijn lippen op elkaar. ‘Opeten’, gebood hij op dwingende toon. Het liep niet goed af. Ik weet nog dat ik meteen voor straf naar bed werd gestuurd nadat ik, in grote nood verkerend, bij de achterdeur zijn klompen had vol gekotst. Ik wist toen niet dat het nog erger zou worden. Intelligente en tevens eetbare dieren waren bij ons thuis niet veilig.


Op een dag zei Va dat hij een biggetje voor mij ging kopen, op de veemarkt in Assen. Ik mocht met hem mee want dan kon ik er zelf eentje uitzoeken. Hij zou er wel een paar voor mij aanwijzen, zodat ik echt kon kiezen. Wij gingen lopend op weg. Va had zijn kruiwagen meegenomen en een dik touw zodat hij het varkentje goed en veilig kon vervoeren. Toen we op de markt aankwamen zag ik dat er keus genoeg was. Het was moeilijk om er zomaar eentje aan te wijzen. Omdat ik volgens Va te lang aarzelde maakte hij de keuze zelf. Hij onderhandelde over de prijs met een veekoopman die een grote leren tas met geld aan zijn broeksriem droeg. Ze werden het al snel eens en gingen traditiegetrouw een borreltje drinken in het Marktcafé. Eentje om de handel te bezegelen en eentje om het af te leren of zoiets.


Va tilde het beestje in de kruiwagen, bond het vast en reed er mee naar een stookhokje dat achter het café stond. Wij gingen er met zijn drieën naar binnen. Het was er donker, maar Va wist waar het lichtknopje zat. ‘Pas goed op de kleine. Ik ben der zo weer’, sprak hij lachend en ik begreep dat ik het varkentje, dat heel erg rustig was en dat mij vol vertrouwen aan keek, voorlopig maar even gezelschap moest houden.


Op de terugweg kreeg ik de indruk dat Va een zeer been had. Hij liep een beetje slingerend en hij praatte af en toe tegen mijn varkentje alsof het een kindje was. Ik vond dat vreemd maar ook wel lief. Zo kende ik Va nog niet. Toen we thuis waren nam Moe de regie van Va over en stuurde zij hem naar bed terwijl het nog lang geen avond was. Zij noemde hem een lelijke zoeplap en aan de scherpe klank in haar stem hoorde ik dat zij dat niet positief bedoelde.


Een paar dagen later was ik zo naïef om het grappige varkentje een naam te geven. Knorregie. Ik dacht echt dat het mijn eigen zwijntje was en ik zag in haar intelligente oogjes dat zij van mij hield. Ik bracht haar elke dag voer en water en dan knuffelden wij elkaar. Ik voel nog haar vochtige neusje tegen mijn wang. Zij werd natuurlijk snel groter en dikker. Knuffelen ging toen niet meer. Maar aaien vond zij nog steeds fijn.


Het was in de herfst en ik kwam thuis van school. Ik liep naar het varkenshok om Knorregie te groeten. Maar zij was er niet. Ik zag dat er een groot stuk vlees aan een ladder was gebonden die achter ons huis tegen de dakgoot stond. Het drong niet tot mij door dat mijn opengesneden vriendinnetje daar hing. In mijn onschuld vroeg ik mijn moeder of zij wist waar Knorregie was. Zij schrok en wees naar mijn vader die naast een man stond die een bebloed schort over zijn dikke buik droeg. Terwijl hij vrolijk praatte zwaaide dit heerschap met een blinkend mes. Ik begreep dat hij daarmee in het grote stuk vlees had gesneden. Mijn vader lachte om zijn grappen.  ‘Vraog maor an joen Va’, zei moe terwijl ze haastig naar de keuken liep. Ik wachtte totdat Va mij aankeek. Hij had een olijke blik in zijn ogen en wees naar het vlees. ‘Daor hangt joen Knorregie’.  


Ik dacht dat hij grappig wilde zijn. Net zo leuk als de man met het mes of misschien zelf nog veel leuker. Ik lachte, maar ik zag dat zijn ogen koud werden en dat hij de man bedankte en hem geld gaf. Ik verstijfde van binnen en van buiten. Dit kon niet waar zijn. Maar het was waar. Ik begon heel hard te huilen. De man met het mes keek mij vol onbegrip aan. Zo’n aanstellerig kind had hij nog nooit gezien. Zijn eigen dochtertje stond er meestal lachend naar te kijken als hij zijn mes in een varkenskeel zette. Zij kende de echte wereld al een beetje.


 Pas geleden had hij haar een trommel gegeven. Die had hij zelf  gemaakt van een oud blikje rietsuikerstroop zonder deksel waarover hij een varkensblaas had gespannen. Met twee afgekloven varkenspootjes als stevige stokjes er bij. Zodat zij er naar hartenlust op kon trommelen.


Zij had het nieuwe speeltje vol trots meegenomen naar school. En daar had iedereen er enthousiast op gereageerd. Om mij te troosten maakte de slachter ook zo’n trommeltje voor mij. Hij had een stukje van de blaas van Knorregie over een busje gespannen waar ‘de Gruyters Koffie Stroop’ op stond. ‘NETTO 125 GRAM’. Hij gaf het trommeltje een week later aan mij toen hij een bakje koffie bij ons kwam halen. Als een pleister op mijn ziel. Va zei dat ik netjes dankjewel moest zeggen en hij begon meteen te trommelen. Gelukkig begreep Moe dat ik er niet blij mee kon zijn. ‘Dat merkte ik de volgende dag. ‘Stop dat vieze ding maor mooi onder grond’, zei ze kordaat terwijl ze het trommeltje in een krant wikkelde.


Ik haalde een schep uit de schuur en zocht een plekje aan de rand van het Anreeperdiep. Moe heeft nooit geweten dat zij mij, dankzij haar afkeer van trommelgeluiden maar ook omdat zij een varkensblaas een smerig ding vond, onbedoeld een heel lief grafje voor Knorregie had geschonken. Ik kan de plek waar ik het blaasje begraven heb nog steeds aanwijzen als iemand mij dat zou vragen.    



Ik wist nu wel zeker dat Va het leuk vond om een kip te onthoofden. Hoe stoer kan of wil een man zijn als hij met twee vrouwen leeft die hem beiden tot op zekere hoogte de baas zijn? Zijn vrouw, die hem vaak liet weten dat zij het terecht niet met hem eens was, maar die dat altijd alleen maar op haar eigen zwijgzame manier deed. Zwijgen kan, net als roken, op langere termijn dodelijk zijn.


En zijn dochter, die hem in stilte bewonderde maar die ook zijn onvermogen zag om aan zijn eigen leven vorm en inhoud te geven op een manier die bij zijn ware persoonlijkheid paste. De onvoorwaardelijk trouwe inzet waarmee hij zijn vader steunde bij het werk in de velden terwijl hij zelf nog amper veertien jaar was. De zuurstokken en de lolly’s die hij voor zijn kleine zusjes meebracht. De rijksdaalder die hij elke week aan zijn moeder gaf terwijl hij dat geld ook zelf heel goed kon gebruiken. Hij moest de kamerhuur betalen, zijn eigen voedsel en kleding kopen en hij was daarnaast een zware roker die ook zijn vader wekelijks van tabak en vloeitjes voorzag.  


Jan van Dalen was een lieve man. Maar dat wilde of kon hij niet zijn. Eigenlijk was hij net zo goedwillend als mijn eigen Barteld. Stoer en kwetsbaar tegelijk. Mannen kleunen vaak mis als het om subtiliteit gaat. Omdat zij het vrouwelijk wezen niet echt begrijpen. Soms denk ik trouwens dat het omgekeerde nog vaker het geval is. Mannen zijn veel simpeler dan wij vrouwen willen geloven. Kan het echt zo zijn dat die stoere man voor wie jij graag respect en zelfs een beetje ontzag wilt kunnen hebben zomaar verandert in een, soms net even te harig op te stoppelig speelgoedbeertje wanneer jij dat wil? Ja. Dat kan zo zijn. Maar dat ambieer je als vrouw niet altijd.  Het is en blijft moeilijk. Ik weet er alles van.


Als Va soms ’s nachts, wanneer hij dacht dat ik al sliep en dat ik er niets van zou horen, in het krakende bed mijn moeders weelderige lichaam probeerde te strelen, net iets te gulzig en zeker niet subtiel genoeg, dan veranderde zijn goed bedoelde maar net even teveel met hartstocht geladen gefluister vaak opeens in een krampachtige schreeuw die mij door merg en been ging. Dan was het voor mij en de buren duidelijk. Hij had zijn doel weer eens bereikt. En zij had hem zoals altijd afwerend en zwijgend zijn gang laten gaan.


Ik neem aan dat het moeizame liefdesspel in de nacht steeds opnieuw een teleurstelling voor hem is geweest. Omdat alles wat een klein beetje lief en zacht zou kunnen zijn verloren ging in krampachtige ontladingen waarin frustratie en soms ook boosheid de boventoon voerden. Moe was waarschijnlijk nooit teleurgesteld tenzij het te lang duurde voordat hij ronkend en winderig naast haar voor pampus lag. Zij had, na die eerste keer op die groezelige deken in het maisveld, de deur van haar innerlijke schatkamertje gebarricadeerd. Als hij dat had geweten dan was er voor hun beiden nog hoop geweest. Dan had hij die deur misschien kunnen vinden. En wie weet. Als hij haar dan, zachtjes aankloppend, de tijd had gegund die zij nodig had om terug te keren naar de fase waarin zij haar maagdelijke onschuld nog koesterde. Wie weet. Misschien had zij die deur dan zelf voorzichtig op een kiertje gezet. Want zij verlangde wel. En zij wilde wel. Maar dat wist hij niet. Ik denk dat hij het hoe dan ook toch best wel lekker vond. Hij kon er in ieder geval zijn agressie in kwijt. En daar is natuurlijk niks mis mee.

   


De boer in het Oranjekanaal

De kwetsbare haantjesdrift van mijn vader had trouwens ook mooie kanten. Toen ik een jaar of twaalf was gingen wij samen op de fiets naar opa en opoe op de Smilde. Daar troffen wij een boer die Va vriendelijk vroeg of hij een akker aan het Oranjekanaal voor hem wilde omspitten. Hij zou daar vijftig gulden voor beuren. Van nam het aanbod dankbaar aan. Een week lang fietste hij elke avond, nadat hij van zijn werk was thuisgekomen en even snel had gegeten, naar het land van de boer. Hij werkte er tot het donker was en tot hij er van vermoeidheid bijna bij neerviel.


Aan het eind van de week was de klus geklaard. ‘Mooi wark’, sprak de boer. Waarna hij Va dertig gulden overhandigde. Va keek hem verwonderd aan en zei dat hij vijftig gulden moest beuren. De boer grijsde. ‘Dartig gulden’, snauwde hij. ‘En gien rooie cent meer. Ik laot mij deur joe niet bedondern’.

Va kwam die avond aangeslagen thuis. Van binnen kookte hij van woede. Maar hij wist dat hij niets kon beginnen tegen deze boer, die in zijn eigen omgeving een goede reputatie had. Terwijl Va zelf maar een eenvoudige sjoelbakmonteur was.

Ik weet wel zeker dat Va er jarenlang last van heeft gehad. Ik zie nog de verbeten manier waarop hij soms zijn kaken op elkaar klemde. Dan wist ik dat hij worstelde met een gevoel van vernedering en boosheid dat hij niet kon verwerken. Maar hij nam wraak. Zoals een rechtgeaarde en gekwetste arbeidersjongen betaamt. Vroeg of laat. En beter laat dan nooit.

Op een koude dag in december van het jaar des heren 1970 fietste hij langs het Oranjekanaal, op weg naar een boeldag waar hij gereedschap wilde kopen. Op een eenzaam stuk zag hij dat er in de verte een trekker in het water lag. Naderbij gekomen herkende hij de sjoemelende boer die met zijn rechterbeen bekneld was geraakt en die zijn hoofd nog maar met moeite boven het ijskoude water kon houden.

Va stapte af en groette de doorweekte agrariër  beleefd. Toen de man op hem begon te schelden glimlachte Va minzaam en rolde hij tergend langzaam een sjekkie. ‘Wuj ok roken boer?’ vroeg hij op een gedienstig toontje. ‘Zal ik der ene veur je draaien?’

De boer begreep dat hij zich met spoed anders moest opstellen. ‘Help mij asteblief Van Daolen’ kreunde hij. ‘Want aans verzoep ik hier nog’.

Mijn vader haalde zijn aansteker uit zijn zak en bracht het vlammetje op omslachtige wijze naar het sjekkie. Natuurlijk kon hij er niets aan doen dat het vlammetje telkens net te vroeg doofde. Maar het lukte hem uiteindelijk toch. Nadat hij ogenschijnlijk rustig, maar net iets te diep en te grof inhalerend, enkele trekjes had genomen vroeg hij op verbeten toon: ‘Eh…. Wat wo’k ok al weer zeggen. O ja. Ik weet ’t al weer.  Hoeveul hadden wij ok al weer met mekaor afpraot boer?

 ’De inmiddels zwaar onderkoelde agrariër, die tevens leed aan gestaag druppelend bloedverlies was nu zo mak als een lammetje. ‘Vieftug gulden Van Daolen’, jammerde hij. ‘Vieftug gulden!”. Mijn vader trapte zijn sjekkie uit in het wit gevroren gras. ‘Mooi zo’, grijnsde hij. ‘En wat he’j mij betaold?’  ‘Dartig gulden’, fluusterde de boer. ‘Ik heb joe doedertied zwaor bedonderd. En daor he’k nou aldermeraokels veul spiet van. Geleuf mij asteblief Van Daolen. Geleuf mij nou…’

‘Mooi zo,‘sprak va opnieuw. ‘Dan zal ik nou zo staoregies an maor ies kieken ok misschien arrings hulp veur je kan haolen’. Hij fietste tergend langzaam weg. Maar hij hield woord. Want zo was hij. De boer werd op het nippertje gered en hij verloor daarbij alleen maar zijn rechter been. Los daarvan was hij blij dat hij het ongeluk overleefd had.

Mijn vader weigerde het biljet van honderd gulden aan te nemen dat een knecht van de boer hem enkele weken later namens zijn baas kwam brengen. Moe vond dat jammer. Maar ik had er respect voor. Je hebt eergevoel. Of je hebt het niet.

De legende van de gouden beer knorregie-en-de-boer-in-het-kanaal