De legende van de gouden beer

In de kelder hadden wij ’s winters altijd ’een paor mud eerpels’. Ook werden er appels en peren bewaard. Die lagen te drogen op oude kranten zodat zij er na een maand of twee verschrompeld uit zagen. Maar ze smaakten de hele winter goed. Er stonden ook weckflessen en vaten waarin een deel van de oogst bewaard werd zodat wij ’s winters voldoende vlees en groenten te eten hadden. In de schuur stond een grote stapel turf. En ook was daar een grote bak met aanmaakhout, cokes en eierkolen.


De wc zat in de schuur. In een houten hok met een gammel deurtje er voor stond een roestige ton met een plank er overheen. In het midden van de plank zat een rond gat waarop een deksel paste. Als je door het gat keek dan zag je de uitwerpselen van ons gezinnetje in de ton liggen. Het was een stinkende brij van poep en urine waarin maden de tijd van hun leven hadden. Voor kleine kinderen was het gat een griezelige afgrond. Ik durfde pas zelfstandig naar de wc te gaan toen ik wist dat mijn achterwerkje er in paste en goed klemde. Wij veegden ons schoon met krantenpapier.


Mijn vader verspreidde de slijmerige bruine smurrie regelmatig met een emmertje over de tuin. Als wij sla of boerenkool van eigen grond aten dan meende ik daar wel eens de uitwerpselen van hem in te proeven. Hoewel de menselijke meststoffen die mijn tong streelden natuurlijk ook afkomstig waren van mijn moeder en zelfs ook een heel klein beetje van mijzelf. Ik wist dat ik mij niet moest aanstellen. Boerenkool uit eigen tuin was gezond. En daar ging het om.


’s Zomers zoemden er heel veel vliegen in en om het huis. Boven de tafel in het achterhuis hing dan een stroperige vliegenvanger. Een lange kronkelige sliert, pal boven de plek waarop tijdens het warme middageten de aardappelpan stond. Vele vettig-zwarte bromvliegen vonden daar de dood, heftig worstelend in de kleverige massa terwijl wij keurig zaten de bidden.


Ook tijdens het eten was de voortdurend opnieuw startende doodsstrijd hoorbaar. Maar er viel nooit een strontvlieg in de pan. Wel eens een vleugeltje of een pootje. Mijn moeder schepte die er dan uit en spoelde haar lepel schoon onder kraan. Ik vond dat niet alleen vies maar ook een beetje zielig. Al heel jong voelde ik verwantschap met dieren. Dikke strontvliegen zijn misschien, zo op het oog, niet erg aantrekkelijk. Maar vele mensen zijn dat ook niet. Ik heb nog nooit een vlieg doodgeslagen. Maar muggen (wij noemden ze neefjes) wel.



Vanuit de tuin achter ons huis hadden wij, net als aan de straatkant, zicht op een weelderige lappendeken van weilanden, bouwland en ruige stukjes veen, met in de verte een uitgestrekt heideveld waarop in mijn kinderjaren nog enkele bewoonde plaggenhutten stonden. Dat gebied werd in de volksmond Lombok genoemd. Daar leefden vrijgevochten en ongrijpbare turfgravers, stropers, straatmuzikanten, mandenvlechters en ongeschoolde landarbeiders die aan lagerwal waren geraakt.


Met enige regelmaat kocht Va van een stroper op Lombok een haas of een konijn. Ik was er een keer bij toen hij dat deed. Ik voelde medelijden met het slappe diertje dat nog een beetje warm aanvoelde. Het had de hele nacht in een strik vastgezeten. Doodsbang en wanhopig spartelend. En daarna had het in het vroege morgenlicht een keiharde klap in de nek gekregen. Va stopte het stoffelijk overschotje in een jutezak, bracht mij naar huis en fietste er vrolijk fluitend mee naar een poelier in de Rolderstraat. Die gaf hem er een aardig bedragje voor.


Het was een illegale handel. Dat wisten beide mannen. Maar zij wisten ook dat de echtgenote van een Officier van Justitie, die met haar man en kinderen in een riant herenhuis aan de Vaart woonde, op zon en feestdagen graag wild vlees in de pan had. Haar man was een groot liefhebber van, zoals hij het noemde; het edele en pure vruchtvlees der ongerepte velden. Zij maakte daarom al jarenlang quasi onwetend gebruik van het ondergrondse bestellijntje waarin mijn vader een sleutelrol vervulde.


Va ging er vanuit dat het voor hem met een sisser zou aflopen als een jachtopziener hem ooit, terwijl hij met een konijn op weg was naar de Rolderstraat, staande zou houden. En zo dacht ook de poelier er over. De zaak zou, in goed overleg met alle betrokkenen, vrijwel zeker worden geseponeerd.  ‘Dat gef verder niks. Maor zo zit de wereld nou ienmaol in mekaor’, aldus mijn volkswijze vader.


Moe wilde niets van het volkje van Lombok weten. Zij griezelde van de vlooien, luizen en spinnen die er rijkelijk floreerden en zij was bang dat je er een besmettelijke ziekte zou kunnen oplopen. Als mijn vader bij ome Hendrik op bezoek ging mocht ik soms met hem mee. Daar was moeder niet blij mee. Als wij thuis kwamen inspecteerde zij altijd meteen onze haren en meestal vermoordde zij dan wel een paar luizen en ook wel eens een al te reislustige vlo met vrouw en kind.

mijn-jeugd-in-schieven-anreep