De legende van de gouden beer

Nu eerst maar even iets over Drenthe. Het is wellicht bekend dat het gebied dat wij Drenthe noemen duizenden jaren achtereen een zeer dunbevolkt landschap is geweest dat voor het grootste deel uit heidevelden en moerassen bestond. Het is dan ook logisch dat de bewoners van dat gebied geen hoge status hadden in de rest van Europa. Hun aantal was daarvoor veel te gering. En hun stem telde derhalve nooit mee als er op bestuurlijk gebied elders in de wereld belangrijke beslissingen moesten worden genomen. Dat gold overigens eeuwenlang voor alle niet-stedelijke gebieden waarin de democratie nog niet was uitgevonden. Wie er indertijd (als stam, als volk of als leider) geen militaire macht kon uitoefenen, die telde doodgewoon niet en nergens mee.

De grenzen van wat nu Drenthe heet zijn in de loop der eeuwen vele keren gewijzigd. Zo lag de (toen nog prille) stad Groningen ooit op het grondgebied van de toenmalige Graafschap Drenthe. En ook de Friese Stellingwerven behoorden eens tot de Olde Landschap. Drenthe wisselde daarnaast ook verschillende keren van eigenaar. De Duitse keizer Hendrik de Tweede-De Heilige bij voorbeeld, gaf de Graafschap Drenthe in 1025 in bruikleen aan bisschop Adelbold de Tweede van Utrecht. Deze vriendschappelijke en waarschijnlijk mondelinge deal werd in 1046 schriftelijk bevestigd door de Duitse keizer Hendrik de Derde.

De Drenten zelf hadden daar helemaal geen invloed op. De meest-opstandige types onder hen mompelden natuurlijk af en toe wel eens iets onverstaanbaars. Op franterige toon. Dat dan dus weer wel. Maar altijd binnensmonds, zoals hier te lande te doen gebruikelijk was en hetgeen hier soms ook nog wel eens zo is. Maar van een dergelijk geweldloos protest raakte indertijd zelfs nog geen (al dan niet reeds geplukte) soepkip aantoonbaar van de leg. Dus dan uiteraard ook een bisschop of een adellijk heerschap niet. En dus veranderde er eeuwenlang maar weinig in Drenthe.


De legende van de gouden beer

Van generatie op generatie gingen de allochtone families in Drenthe hun min of meer vredelievende gangetje. Maar net als elders in Europa waren er ook wel eens tijden van oorlog waarin de Drentse bevolking zwaar gebukt ging onder het geweld van allerlei legers die elkaar te vuur en te zwaard bestreden. Wanneer een regiment soldaten lange tijd geen soldij meer van hun leiders had ontvangen dan begonnen deze berooide mannen de bevolking te plunderen. Hetgeen in vele gevallen tot moord en doodslag leidde. Zowel onder de bevolking als onder de soldaten. De geschiedenis van Drenthe loopt daarmee parallel aan die van de rest van Europa.

Ook waren er tijden waarin er honderden hongerige zwervers van buitenaf door Drenthe struinden die het vaak niet zo nauw namen met het mijn en het dijn. Zij hadden honger. Agrarische gezinnen in afgelegen dorpjes en in dito keuterijen voelden zich daardoor vaak onveilig. Want overvallen en berovingen waren in bepaalde roerige perioden in de geschiedenis van Europa, en dus ook in Drenthe, aan de orde van de dag. Het is dan ook begrijpelijk dat de dorpelingen deze zwervers wantrouwden en dat men zich op allerlei manieren tegen potentiële dieven en overvallers wapende. Hetgeen over en weer soms tot plotselinge sterfgevallen leidde. De doorsnee Drent wordt niet snel agressief. Maar als men hem of haar langdurig tergt dan verandert hij (en ook zij wel vaak) in een ongeleid projectiel dat vele malen achtereen ontploffen kan. Dan hei’j de gort gaor, zoals men dat in Drenthe dan omschrijft en zegt.

Tijdens dergelijk gort-gaor-achtig strijdgewoel verloor de Utrechtse bisschop Otto van Lippe in 1227 zijn leven. De veldslag vond (net even over de huidige Drentse grens) plaats, in een moerasgebied bij Ane. De toen nog alom heersende katholieke kerkleiders (en de katholieke adel die zij dienden) waren er op zijn zachtst gezegd niet blij mee dat hun bisschop door een ongeregeld legertje van slecht getrainde soldaten en opgefokte Drentse boeren (m/v) in het moeras was gelokt. En dat hij aldaar vervolgens, samen met zijn zwaar geharnaste leger, op overtuigende wijze in de pan was gehakt en ontmanteld. Na zijn smadelijke dood werd de bisschop voor alle zekerheid ook nog even onthoofd door de Drenten.

Er werd vanuit Utrecht dan ook op weloverwogen en heethoofdig-herderlijke wijze wraak op de Drenten genomen. Er trok een vers en groter leger naar het Noorden dat in eerste instantie, gepaard gaand aan veel wederzijds bloedverlies, door de Drenten werd teruggedrongen. Maar bij de tweede aanval van de bisschoppelijke vechtjassen verloren de Drenten de strijd definitief. Kasteelheer Rudolf de Tweede Van Coevorden, de leider van de Drentse opstand, wist aanvankelijk te ontkomen. Maar toen hij namens het nieuwe gezag werd uitgenodigd voor een verzoeningsgesprek werd hij, onderweg naar de voormalige vijand, in de herderlijke val gelokt. Rudolf beleefde daardoor zijn laatste levensuurtje, vastgebonden op een bisschoppelijk-gezegend martelwerktuig te Hardenberg. Waarop hij op effectieve wijze gevierendeeld werd. Om de procedure daarna even netjes af te ronden liet de zegevierende bisschop het zwaar gehavende (en aantoonbaar-stoffelijke) overschot van Rudolf op een paal spiesen alwaar het dagenlang door belangstellenden bezichtigd kon worden.

Het was nu wel duidelijk wie er de baas was in Drenthe. En heel erg opstandig zijn de Drenten daarna tot op heden ook niet meer geweest. Dat bleek onder meer in de periode 1940-1945 waarin een klein deel van hen zich op bevlogen wijze bezighield met het plegen van verzet, een iets groter deel zich op meeloperige wijze wel goed kon vinden in de ideologie van de bezetter en het overgrote restgedeelte van hen zich net zo gedroeg en opstelde als de overgrote meerderheid van het niet-Drentse deel van het Nederlandse volk. Drenten zijn, wanneer het bekende puntje op levensgevaarlijke wijze aan het eveneens wel enigszins bekende paaltje staat te snuffelen (dus 'as 't knep en duvels knep) in vele opzichten volledig ingeburgerde en goedwillende Nederlanders.


De turfindustrie, die in de negentiende eeuw tot grote bloei kwam, zorgde er aanvankelijk voor dat er werkgelegenheid en een prille vorm van welvaart ontstond in de nieuwe provincie. In het algemeen was het leven goed leefbaar in Drenthe hoewel er, net als elders in de wereld, wel grote verschillen bestonden tussen arm en rijk. In de wintermaanden lag het werk in de landbouw en in de veengebieden stil en dan werd er weinig of niets verdiend. Vele mensen waren ‘s winters dan ook afhankelijk van gunsten en gaven waarbij de kerk als hulporganisatie een belangrijke rol speelde. Dat gold overigens ook voor de rest van Nederland. In het jaar 1900 bijvoorbeeld telde Nederland vijf miljoen inwoners. En ruim twee miljoen van hen leefden in diepe armoede. En die twee miljoen mensen die woonden voor het overgrote deel NIET in De Olde Landschap! Laat dat hier even gezegd zijn.  

 Als de winter voorbij was kwam de werkgelegenheid in de landbouw in ons land weer op gang. Maar in de veengebieden in Drenthe was dat in de jaren dertig van de vorige eeuw vrij plotseling niet meer het geval doordat de vraag naar turf in het Westen van ons land  afnam. Steeds meer turf-stokende fabrieken en particulieren gingen er toen namelijk over op het stoken van kolen en gas. En de turf uit Drenthe werd al vrij snel onverkoopbaar. In Drenthe heerste er in die tijd daardoor vooral in de veengebieden diepe armoede.

Tijdens deze economisch-magere slotfase van de lange periode van grootschalige vervening en turfwinning in Drenthe kwamen er steeds meer werkloze veenarbeiders met hun gezinnen in schamele plaggenhutten terecht omdat zij de huur van een gewone woning niet meer konden betalen. Dit alles speelde zich af tegen een rampzalige internationale achtergrond. Op 24 oktober 1929 was de effectenbeurs van Wall Street namelijk in elkaar geklapt en daardoor ontstond er een internationale economische crisis die tegenwoordig bekend staat als ‘The Great Depression’. Vele Amerikaanse banken gingen failliet en miljoenen mensen in de USA, en onder meer ook in Europa, werden werkloos en raakten deels letterlijk aan de bedelstaf. In Nederland staat deze periode bekend als ‘de crisisjaren’.  

The Great Depression zorgde er voor dat er wereldwijd een periode van grote werkloosheid en van sociale onrust aanbrak. De omstandigheden waaronder een relatief klein deel van de Drentse bevolking indertijd moest leven waren schrijnend. Maar dat was dus ook het geval in grote delen van Amerika en van Europa en dus ook in Nederland. En zeker ook in Amsterdam.

Pas in 1815 werd Drenthe voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid officieel een volwaardige provincie met een eigen provinciaal bestuur, nadat het was ingelijfd bij het toen nog kersverse Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De geïsoleerde ligging van het gebied en het geringe inwonertal zorgden er echter ook toen nog voor dat er in het Westen van het nieuwe Koninkrijk maar weinig belangstelling en waardering was voor Drenthe. Hetgeen uiteraard niet zegt over de Drenten zelf.



Al vanaf 1900 verschenen er in kranten en tijdschriften in het Westen van ons land met enige regelmaat echter foto's van hutten en keten waarop de provincie Drenthe werd gestigmatiseerd als de meest-noodlijdende uithoek van het voor de rest zo welvarende Nederland. En dat dan ook steeds met schrijnende teksten er bij! En zo ontstond er in het Westen  een zwaar vertekend media-beeld van Drenthe. Ik wil dat hier graag een beetje rechtzetten.


De legende van de gouden beer the-great-depression